Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

209

„Ik spreek niet van de geldelijk aangerichte schade.

,Mu wend ik mij met vol vertrouwen tot u. Sterkt nu de handen der Regeering, en werkt met haar samen, om deze Republiek te maken tot een land, waar alle nationaliteiten als het ware broederlijk samenwonen!

„Maanden en maanden lang heb ik beraamd, welke veranderingen en verbeteringen in het Staatsbestuur wenschelijk zouden kunnen worden geacht, maar de gruwelijke opstokerij, vooral Van de pers, hebben mij terug gehouden. Dezelfde mannen, die nu in het openbaar zijfi opgetreden als leiders, hebben van mij verbeteringen geëischt op een toon erf op een wijs, die zij in hun eigen vaderland uit vrees voor de strafwet niet zouden gewaagd hebben aan te slaan of te volgen. Daardoor werd het mij en mijne burgers, de stichters dezer Republiek, onmogelijk gemaakt, hunne ruwe voorstellen in overweging te nemen.

„Het is mijn plan, om in de eerste gewone zitting van den Volksraad een voorstel van wet te doen, waarbij een stadsraad met een burgemeester aan het hoofd van Johannesburg wordt benoemd, waaraan het geheele (gemeentelijke) beheer der stad zal worden toevertrouwd.

„Naar alle constitutioneele beginselen zou zulk een stadsraad door rechtstreeksche keuze der ingezetenen moeten worden benoemd. Ik vraag u echter met ernst, legt de hand op het hart en beantwoordt mij deze vraag: Kan en mag ik, na het gebeurde, dit aan de volksvertegenwoordiging voorstellen?

„Wat ik zelf op die vraag antwoord, is dit: Ik weet, dat er duizenden in Johannesburg en omgeving zijn, aan wie ik met vertrouwen die rechtstreeksche keuze kan toevertrouwen.

„Ingezetenen van Johannesburg! Maakt het nu aan de Regeering mogelijk, om voor den Volksraad op te treden met de leuze: Vergeven en vergeten!

„Qod behoede Land en Volk!"

* * •

Op dienzelfden Maandag *), waarop het onderhoud met Sir Hercules Robinson had plaats gehad, begon des namiddags te vier uur een andere beraadslaging, die een der aangrijpendste momenten uit die dagen genoemd mag worden.

De Regeering was na rijp beraad tot het merkwaardig besluit

*) 6 Januari 1896.

Sluiten