Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

Ook binnen Rome hadden de zouaven wel eens karweitjes. Zoo had op zekeren dag de pauselijke politie ontdekt, dat er naast een klooster, in 't huis van een rijken fabrikant, oproermakers een heele bewaarplaats hadden van wapens, bommen, kogels, enz. Direct werd er een afdeeling zouaven op afgestuurd. Er waren op dat oogenblik 55 samenzweerders in 't huis bij elkander en ze waren van plan dien eigen namiddag een oproer in Rome te verwekken. Ze hadden juist gedineerd en zaten nog champagne te drinken op het welslagen van hun onderneming, toen de zouaven vóór het huis verschenen, maar de deur gesloten vonden. Terstond snelden de oproermakers naar hun bommen en spoedig kwam uit de bovenramen een stortbui van die gevaarlijke projectielen op de zouaven neer. Maar de dappere mannen gingen er geen voet voor op zij; ze sloegen de deur in en wilden de trap op. Maar op de trap stonden een troep kerels, die zonder ophouden met hun revolvers op de zouaven vuurden. De vrouw des huizes stond er ook bij en brandde even wakker op de aanvallers los als de anderen. Maar de zouaven gingen onversaagd de trap op. Toen werd de vrouw woedend en schreeuwde: „M'n huis uit, zeg ik je! je hebt hier niks te maken!" Maar één van de zouaven gaf haar een antwoord met z'n bajonet en doorstak ze. Binnen een kwartier waren de zouaven baas van 't heele huis. Ze vonden er een grooten voorraad geweren, revolvers, bommen en patronen. Achttien van de ellendelingen waren gedood; de overige 37 werden gevangen genomen. De zouaven hadden geen enkelen doode en slechts vijf gewonden, 't Is haast niet te gelooven en toch is 't waar. De zouaven zelf noemden het een wonder, maar aan zulke wonderen waren ze gewoon, „'t Is of God ons onkwetsbaar maakt," zeiden ze wel eens lachend. En werkelijk, 't scheen dikwijls zoo. Ofschoon ze bijna altijd tegen een heel groote overmacht vochten, leden ze gewoonlijk maar weinig verliezen. In 't vervolg van dit verhaal zal daar nog meermaals melding van zijn.

V. EEN FLINK SOLDATENHART EN EEN ECHT ROOMSCHE ZIEL.

Toen onze Pieter van huis vertrok, had zijn moeder hem op 't hart gedrukt: „Zorg, Pieter, dat je me nu en dan eens tijding van je stuurt. Hoe meer je me schrijft, hoe dikwijlder m'n gedachten bij je zullen zijn, en hoe vuriger ik voor je zal bidden."

Sluiten