Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

69

Fik had den hoed ook zien rollen. „ Apport!" had juffrouw Evers gezegd. Toen was hij er op toe geschoten, had hem met zün tanden beetgepakt en nu kwam hij er mee achter denr wagen aanlo/pen.

De passagiers stonden er lachend naar te kijken. „Mooi, Fik!" riepen ze. „Hou' vast, Fik! Niet te hard bijten, FikI"

De mensphen in de tram stonden allemaal overeind, om er ook wat van te zien; de reizigers op het voorbalcon hingen met het bovenlijf buiten deia wagen en riepen ook al mee.

Juffrouw Evers glom van pleizier. Fik keek haar telkens aan, of hij 'zeggen wou: „Nu maak ik het toch zeker weer goed, hè? Nu ben je immers niet meer boos op me?"

En weet je, wie het meest in zrjn schik was? Dat was de knorrige meneer, die zomeél leaflijks van het beest gezegd had.,

„Toch wel een leuke hond," zei hij tegen juffrouw Evers. „Het spijt me, dat ik zo« op hem gemopperd heb."

Toen reed de wagen een plein op en even daarna stond hg stil vlak voor het station. Gelukkig: de trein was er nog niet!

De ongeduldige reiziger stapte het eerst uit en nam van Fik zijn stro/hoed in ontvangst. Hij aaide het dier vriendelijk over de/ kop, toen lachte hij nog eens tegen juffrouw Evers en wuifde met zijn hoed tegen al de passagiers.

„Neem me niet kwalijk, conducteur," zei hij. „Ik ben wat driftig geweest. Als ik eens weer met u meerijd, zal u geen last mepr van me hebben."

Daarop stapte hij haastig het station binnen en juffrouw Evers reed verder de stad in met haar lieve Fikje onder dejï arm.

□ □ □

Sluiten