Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langde zij erg te hooren en met een kleur van spanning luisterde ze naar het wonderlijke verhaal, van de duisternis in het volk van Israël, de duisternis om Maria heen, na het gebod van Keizer Augustus, maar in haar hart was het licht, want daar bewaarde ze, als een schat, het woord van den engel, het woord van God, en niets kon haar dat afnemen; van de duisternis op de moeilijke reis en bij de aankomst in Bethlehem, waar nergens een plaatsje was. Van de duisternis ook bij de kribbe waar Maria lag en waar, in den donkeren nacht, het Kindje geboren werd, het Kindje dat de Zaligmaker was en in doeken werd gewonden en neergelegd in een kribbe en dat later aan het kruis was gestorven, maar nu in den hemel als Koning op Zijn troon zit. Toen vertelde de Juffrouw van de herders, bij wie 't ook al zoo donker was, maar bij wie het ook licht werd, toen de engel de heerlijke boodschap kwam brengen, dat het lang beloofde kindje nu toch eindelijk geboren was, en hoe de herders naar Bethlehem gingen om te zien, wat de engel gezegd had en hoe ze daar Maria vonden en Jozef en het kindje in de kribbe. Wat hinderde het toen of het buiten donker was, en of er nog veel was om over te schreien. Het Kindje lag daar — en daar was 't Kerstfeest, en dat kon nu nooit meer veranderen. Zoo donker kon 't in geen hart zijn, of de Heere Jezus kon het er licht maken. Hij kon de zonden wegnemen en alle tranen drogen. En dat deed Hij voor ieder die Hem aanriep en zich voor Hem boog. Dat ieder kind dat dan ook maar doen zou, hoopte de Juffrouw, dan zou 't voor elk van hen waarlijk Kerstfeest zijn.

54

Sluiten