Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

De redder in den nood

„Zie je niets?" fluistert Roel.

„Houd dan toch je mond!" bromt Bram.

„Ook goed!" zegt Roel.

Hij legt zich plat op den buik voor de reet van de deur neer, met Kees naast zich, terwijl Nolleke de kleine ooren stijf tegen de planken deur houdt.

„Zie je dat?" mompelt Roel, het hoofd even opheffend; „hij geeft Moeder de hand."

„En hij zegt: Dag zuster!" voegt Keesje er in de uiterste verbazing aan toe: „zeg Roel — hij is toch geen broer van Moeder?"

„Ben je mal!" zegt Roel; „hij heeft een groote wrat op het linker oog — nee, hoor! hij lijkt niets op Moeder!"

Bram vindt het noodig, eenige krachtige opstoppers uit te deelen, terwijl hij er met gedempte stem aan toevoegt: „Houdt toch je mond! Jullie begrijpt er geen steek van — daarvoor ben jullie te dom!"

En met een heel geleerd gezicht voegt hij er aan toe: „Dat moet geestelijk verstaan worden — weet je ?"

Op dit oogenblik komt Drika de achterdeur in. Zij heeft de geit gemolken, en met het teiltje melk in de hand, zegt ze verbaasd: „Zoo — luister jelui den boel af?"

Bram legt den vinger op den mond: ten teeken, dat ze zwijgen moet, maar zij roept op verontwaardigden toon: „Schaamt jelui! Luisteraars aan den wand hooren hun eigen schand! Maakt, dat je weg komt, of ik zal 't aan Moeder zeggen!"

Zij roept luide genoeg, dat ze 't binnen kunnen hooren, en wèg hollen ze: alle vier! als spreeuwen, die door een schot hagel uit den kersenboomgaard worden gejaagd.

„Wat zullen we nu doen?" zegt Roel: „ha, daarkhmt Bram op de kar!" en wip! klimt hij tegen de spaken van het groote wiel op, Bram achterna.

Sluiten