Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

met de pont over konden komen, terwijl hij zonder moeite in een oogenblik den anderen oever bereikte. Boomgaarden, bessentuinen, weilanden en vette bouwgronden vond hij, evenals aan de andere zijde. En daar had je in Wamel en Druten weer groote, groene landen met hooge heggen, tabaksvelden, als in Amerongen, Renen en op vele plaatsen in de Betuwe.

„Hier vreezen de menschen overstrooming." — „Hoezoo?" — „Wel, overal bespeur ik terpen." Vader-Ooievaar lachte.

„Ja, de vluchtheuvels of woerden of waarden kunnen hier nog noodig zijn. Denk aan 1861, toen alles onder water stond. De linker Waaldijk is altijd gevaarlijk geweest."

„Ik woon liever op de Veluwe. Ik krijg angst voor al die groote dingen. Als ze zulke reuzenwerken maken ter bescherming van 't land, dan is 't zeker ook noodig en is 't gevaar niet klein." — „Toch zijn er in de laatste vijftig jaren weinig doorbraken geweest." — „Hoe komt dat?" — „De dijken worden veel grooter en sterker gemaakt, de afwatering geschiedt vlugger, kleine bochten worden weggenomen...." — „Kijk, daar is Schipper!" Jan luisterde niet meer en stond gauw weer op 't dek, vlak bij Schipper en Minet.

16. DE GROOTSTE REUS.

„Jullie schiet ook niet vlug op," zei Jan.

,,'t Is nu maar steeds stroomop, en dat gaat nooit gauw, terug zul je eens zien. Kijk die daar eens!" Een rij leege rijnaken werd snel door een sleepboot de Waal afgetrokken. Dat ging heel wat gauwer!

„Zoo gaan wij terug ook," riep Minet trotsch. „Waar ben jij geweest?" — „Ik heb de groote rivierwerken bekeken."

„Blijf nu dan maar een poosje rustig bij ons," zei Schipper. Vader-Ooievaar kwam bij hen staan. En zoo gingen ze de Waal op, hooger en hooger. Jan had echter zijn dolle bui. Voortdurend vloog hij op; dan werd het hem te eng tusschen die hooge ban-

Sluiten