Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN 'T STEIGERTJE

51

maar was, als Hans maar niet wèg was, niet dood

Stil! Ach neen, neen! 't Was niet een klagend

roepende jongensstem, die hem als de heerlijkste muziek in de ooren geklonken zou hebben, 't Was meeuwengekrijsch, heel in de verte, heel zwak als een vreemd geschrei.

Zachte, vlugge voetstappen naderden. „Hoor je wat?

Ja? " 't Was moeder, die al zoolang en zoo dapper

gestreden had daar binnen in 't kamertje tegen het wild

verlangen in haar ziel om weer naar buiten te vliegen,

die het toch eindelijk niet meer uithouden kon.

„Hoorde je roepen? Je staat zoo te luisteren? "

Een snik schokte op in vaders keel. Die sterke man had zijn hoofd wel willen wegbergen aan moeders borst en

't willen uitschreien als een angstig kind: „Neen, Hans,

Hans! Ik weet niet meer, wat ik doen moet!" Maar

hij overwon zich zelf, hij blééf kalm.

„Laten we nog maar eens roepen!" zei hij heesch. En zijn handen als een trompet aan zijn mond, bulderde hij met zijn zware stem de duisternis in: „Hans!....! Ha-a-ans! Hier heen! Hie-ie-ier hee-ee-en!"

Er kwam geen antwoord, 't Was, of de mist nu óók al het geluid verdofte, zooals straks den schijn van de vlammen.

Hanna kwam aanloopen. Nu moeder weg was, kon ze óók niet meer binnen blijven. En Bep kwam méé, en Barend....

Alleen klein Anneke bleef stilletjes in huis. Klein Anneke begreep niet veel van wat er gebeurde. Ja, Hans was weg, zeiden ze allemaal en dan keken ze zoo vreemd, zoo

Sluiten