Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moeder schrok nog veel meer dan de soldaat daarstraks: stel je voor dat Aloysius z'n eigen doodgeschoten had!

„Van wie mocht je dat kruit nemen?" vroeg zij. Zie je, daar had je 't nou al! In de verste verte niet, had-ie daaraan gedacht. Nou had-ie iets weggenomen, zonder te vragen. Och heer: Dat was erg.'t Kindje Jesus zou het wel heel erg leelijk vinden j misschien ging het wel huilen nu. En dikke tranen van spijt bobbelden over z'n wangen. — Ja, dat liep slecht af en 't was toch zoo leuk in 't begin.

'n Andere keer was-ie weer bij de soldaten. Ze hadden 'n kwaaie bui, waren aan 't mopperen en één zei 'n leelijk woord. Aloysius wist niet, dat 't slecht was. Met groote oogen keek-ie den soldaat aan en zacht in z'n eigen probeerde hij dat moeilijke woord na te zeggen.

Tegen moeder zei hij 't hard op, blij, dat hij zóó iets moeilijks zoo lang onthouden had.

Maar moeder nam hem bij zich op haar schoot en vertelde, dat hij dat heelemaal niet zeggen mocht: 't was 'n slecht woord, en Aloysius wilde toch geen slechte jongen worden? Van dien tijd af ging hij niet meer naar de soldaten. Ze waren te ruw, zei Moeder, hij moest maar liever thuis spelen. De kleine Jesus van Nazareth speelde ook niet bij groote soldaten. En Aloysius dacht bij z'n eigen: ik word vriendje van Jesus van Nazareth, dan doe ik ook niks verkeerds. — Als-ie nu spelen ging, praatte hij met Jesus, heel gewoon, alsof Hij naast hem stond. Dat was ook zoo; enkel zag hij Hem niet. De H. Maagd was er vast ook bij; die vond 't prettig, dat Jesus 'n nieuw vriendje had, en ze zorgde mee, dat dat vriendje niets verkeerds deed. En Aloysius ging zóóveel houden van de H. Maagd, dat hij haar héél echt beloofde,

3i

Sluiten