Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was en dat ze maar niet meer zoo met hun leventje door konden gaan. Ze moesten goed maken, wat ze allemaal verkeerd gedaan hadden. Joannes noemde dat „boete doen". En zelf deed hij ook boete. Niet omdat hij zelf slecht geweest was, maar omdat hij voor de Joden goed wilde maken, wat zij verkeerd gedaan hadden. Daarom at hij b.v. nooit lekker eten; niet eens gewoon brood, maar sprinkhanen, die soms met heele troepen over den grond sprongen. Hij maakte ze eerst dood en kookte ze dan in zout water, 't Smaakte niks lekker, maar hij wilde ook boete doen. Om z'n lijf droeg hij 'n ruw kameelen-vel. Van buiten wel lekker zacht, maar daar voelde hij niks van. Want aan den binnenkant was 't net zoo hard en ruw als 't maar zijn kon. Hij liep altijd op bloote voeten. Die deden dikwijls erg pijn; vooral als-ie over scherpe steenen liep. Maar Joannes wilde boete doen en al die nare dingen met 'n blij gezicht verdragen.

Zoo leefde hij alleen tot hij 'n man was. Toen ging hij weg uit de woestijn om de Joden op te zoeken. Die trokken heen en weer langs Jordaan: 'n groot water, dat dwars door 't heele Joodsche land gaat.

Hij zei zoo maar tegen den eersten den besten Jood, die voorbij kwam: „De Messias is geboren: nu is de hemel weer dichtbij en kan iedereen er in komen, als hij goed leeft. Bekeer U dus". (Daar bedoelde hij mee: ga weer goed leven).

De Jood bleef staan en keek Joannes recht aan in z'n gezicht. Een wonderen man vond-ie 'm: lange haren, bruin gezicht, met niks anders dan zoo'n beestevel om z'n lijf; en die zei, dat de Messias geboren was ? D'r waren meer Joden bij gekomen. Die bleven allemaal staan, terwijl Joannes maar telkens weer opnieuw zei: „De hemel is dichtbij, bekeert U; want iedereen die goed leeft, kan er in komen."

36

Sluiten