Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122

X.

Ik begin met te zeggen, nu ik dit Hoofdstuk ga schrijven, dat eenige maanden sinds het gebeurde in het voorgaande beschreven, zijn verloopen. Het eenige merkwaardige, in dien tijd voorgevallen, was, dat de oude ontvanger van registratie zijn pensioen had gekregen en een surnumerair, met de waarneming belast, zijn intrek in de stad had genomen. Het blinde toeval, dat de een somwijlen kan begunstigen boven den ander, was dezen jongen man, die nogal in den smaak scheen te vallen, zeer ten voordeele geweest; er was nogal wat te doen geweest in 't publiek en 't gevolg daarvan, dat de surnumerair bijna met de meeste families had kennis gemaakt.

Bij Meneer Bluis, waar hij nog geen bezoek had gebracht, was hij toch reeds op een schitterend souper genoodigd en omdat er geene jonge dames meer waren gevraagd, was hem de eereplaatst verbleven naast de dochter des huizes. Bij den Notaris en nog eenige anderen was hem de eer eener invitatie ook te beurt gevallen en daar hij een zeer spraakzaam en geestig jongmensen was, kan ik niet anders zeggen, dan dat de meening over hem steeds gunstiger werd.

De oude heer Bluis, die anders nooit eenige notitie nam van anderen, maar die veel liever van zichzelf zag nemen, maakte met hem eene uitzondering. Op de straat wachtte hij niet, als hij hem tegenkwam, om het eerst gegroet te worden en op de sociëteit schaarde hij zich onder de jongelui, om hem een paar vriendelijke woorden te kunnen toespreken.

Al wil ik nu ook niet beweren, dat de Heer Bluis uit eenige andere beweegreden handelde dan louter ingenomenheid met het aardige jonge mensch, maakte hij voor de wereld toch wel wat een dwaas figuur. Hij scheen dit echter niet zoo

Sluiten