Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31

haar vader was buitengewoon teer jegens haar. Haar bewogen stemming viel hem spoedig in 't oog; hij zocht de oorzaak daarvan in de treurigheid over het verlies harer moeder, en wilde haar opbeuren door de verzekering van zijn innige liefde. Ieder woord van vaderlijke genegenheid was haar een steek door het hart en wekte in haar nieuwen strijd. De tafel was afgenomen, zij zat alleen tegenover hem.

„Nu! nu!" — sprak een stem in haar binnenste. Maar het hart was van bange beklemdheid saamgeperst. Zij kon geen geluid voortbrengen. Zwijgend zag zij voor zich.

„Thirza, mijn kind, wat deert u toch?" vroeg hij en greep teer haar hand.

Thirza hief de oogen op, en haar betraande blik ontmoette het oog van haar vader, dat met de innigste liefde haar aanzag. Ach! zijn liefde was anders haar hartelust geweest, maar thans vermeerderde zij haar angst. Hoe kon zij nu dat woord uitspreken? Het was haar, alsof zij een mes zou nemen, om het haar vader in het hart te stooten. Met een diepen zucht sloeg zij de oogen weer neer. Zij kon den blik haars vaders niet weerstaan. Deze werd bezorgd.

„Kind! wat hebt ge toch op het hart? Zeg het mij toch! Verlangt gij misschien iets? Spreek slechts. Gij weet immers, hoe gaarne ik alles doe, om mijn Thirza gelukkig en vroolijk te zien. Gij, gij zijt immers het eenige, dat ik nog op de wereld bezit. Wenscht gij wellicht iets van mij?"

Sluiten