Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

werpen in de achterkamer. En Finie stond naast hem met een groot, warm verdriet in haar jonge hart, om Moeder . . .

„Kom, het wordt laat," zei de jongen eindelijk. En een oogenblik later belden ze aan het huis, waar ze beiden zes jaren van onbekommerd leven hadden doorgebracht.

Tante deed dadelijk open, en toen ze hun hoeden hadden opgehangen ging Tante dadelijk op haar plaatsje en achter den reeds opengeslagen Bijbel zitten.

„Zullen we meteen door maar lezen?" vroeg ze, en haar oude, aarzelende stem begon: Psalm 121. Een lied Hammaaloth. Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen zal. Mijne hulpe is van den Heere, die aarde en hemel gemaakt heeft. Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uwe bewaarder zal niet sluimeren. Zie, de bewaarder Israèls zal niet sluimeren noch slapen. De Heere is uwe bewaarder, de Heere is uw schaduw, aan uwe rechterhand. De zon zal u des daags niet steken noch de maan des nachts. De Heere zal u bewaren van alle kwaad, uwe ziel zal hij bewaren. De Heere zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid ..."

Het was duidelijk dat ze juist dezen Psalm gekozen had met het oog op Flips vertrek. En1 de jongen luisterde ook met aandacht; hij kwam onder den indruk van het plechtige oogenblik. Toch dacht hij er niet aan, dat alles op zich zelf toe te passen. Hij vond het ernstige, liefelijke woorden, hoe dikwijls hij ze ook reeds gehoord had, net woorden voor Tante, en o, ja, ook voor Finie. Die geloofden, maar hij . . .?

Haast onmerkbaar schudde hij even zijn jonge hoofd met den prachtigen, donkeren haardos. Tante en Finie merkten het niet. Zij hadden reeds de oogen gesloten en de handen gevouwen voor het avondgebed. Meestal deden ze dat stil, elk voor zich. Maar van avond raapte Juffrouw Dibbits al haar moed bijeen,

Sluiten