Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Adjuus," riepen de jongens, „zorg voor je eigen zaken," en weg renden ze.

„Hoe vreeselijk," riep Ans ontdaan.

„Jullie moeten niet huilen," troostte Lon de verschrikte kinderen, „we weten wel, dat jullie het niet gedaan hebben."

„O," — 't klonk als 'n juichtoon.

Ans begon ook medelijden te krijgen met de kleuters en verlegen met haar eigen figuur zei ze: „Het spijt me

zoo, maar zie je, ik dacht, ik meende de jongens

het is eigenlijk hun schuld."

Het kleinste meisje nad angstig de hand van haar zusje gegrepen.

„Kom, kom," zei ze haastig.

De grootste weifelde nog even, ze durfde niet goed. „Neen," zei Lon opeens gedecideerd en ze pakte 't kind bij den arm. „Ans, we moeten ze wat geven, die schapen." „We moeten ze wat geven," herhaalde Ans, nog in war .Ja."

„Wat ?" vroeg Ans hulpeloos.

Lon zweeg ook, dat wist ze zelf niet.

„Wat willen jullie hebben ?" vroeg ze ten einde raad en de kleine kleuters konden hun ooren niet gelooven. Na al de angstige minuten die ze door gemaakt hadden, klonk deze vraag hun zoo vreemd, zoo plotseling in de ooren, dat de kleinste opnieuw hevig begon te schreien en riep: „We hebben niets gedaan, we hebben niets gedaan, kom Rikje."

„We weten wel, dat je niets gedaan hebt," zei Lon vol medelijden, „huil maar niet, je krijgt wat."

„Zeg maar wat je hebben wilt," vleide Ans met haar liefste stem.

26

Sluiten