Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79

„Dat ik Jezus' schaapje ben, x)

Jezus als mijn Herder ken,

Dat ik in Zijn trouw mag roemen."

Geraas .... 'n kreet! De „Groote Heer" sprong op, struikelde over zijn stoel en, de hand op den mond van zijn zoontje leggend, greep hij hem. Het gordijn werd weggeduwd en vader en zoon waren verdwenen.

Met een blijden uitroep hief Seela haar armen op, een glimlach kwam om haar mond en zij fluisterde: „Dat ik Jezus' schaapje ben." Toen vielen haar armen neer, haar hoofdje zakte terug en .... 't schaapje was bij den Goeden Herder.

Haar moeder snikte en wrong de handen. De duivelbezweerders gingen naar de veranda. Ze voelden, dat zij hadden moeten wijken voor een hoogere macht. De „Groote Heer ' sprak geen woord, toen hij hen betaalde.

't Was vijf weken later. Na Seela's dood had niemand Baasje meer gezien. Was hij naar Colombo gestuurd? Lag hij ergens in een ziekenhuis? Zijn zusters konden 't niet te weten komen, wat zij ook vroegen. Haar moeder sloop 't huis rond met een droef en verschrikt gezicht. De „Groote Heer" snauwde ze allemaal af. En Brampé, de kleine huisknecht, schudde slechts 't hoofd op alle vragen. Eéns vonden de kleintjes hem snikkend op de keukenveranda. — Seela weg! Baasje weg! Brampé huilen! Wat beteekende dat toch?

Dien avond kwam weer de oude dokter op 't landhuis. Niemand wist het, behalve de „Groote Heer" en Brampé. Hij ging naar een kleine, donkere kamer, heelemaal

i) Dit vers had de vorige ayah den kinderen geleerd.

Sluiten