Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

„Ik zal wel voor u naar de gevangenen gaan", zei de vrouw.

„Ben je mal, blijf jij maar aan je werk."

„Ik zeg, dat ik het doen zal."

„Ik zeg, dat jij 't laten zult."

„Wie moet het dan doen? Jij kunt toch niet."

„Dat is mijn zaak. Roza, kom jij eens mee."

Wat was Roza blij. Nu zou 't eindelijk gebeuren. Bernard zat op zijn bankje. Hij was bezig van stroo een matje te vlechten. Daar hoort hij stappen. Maar dat is de manke niet. Hij hoort de sleutel in 't slot. De deur gaat open.

„Roza", roept hij en vliegt op haar toe.

„Stil", zegt ze, „de manke staat aan 't einde van de gang. Hij mag er niets van merken. Moeder en de kinderen maken 't nog goed. Morgen kom ik terug."

Ze zette de kruik en 't brood op tafel en weg was ze. Ze deed de deur weer op slot. Gelukkig, de manke had niets gemerkt. O, wat zag Bernard er bleek uit. En zoo mager was hij geworden. Toen ze 's avonds met haar werk klaar was, ging ze naar 't schuurtje. Ze rommelde wat in de spullen, die daar lagen. Ha, daar had ze een klein breekijzer. Fijn. En daar lag een houten hamer. Dat was twee. Ze zocht nog verder en ja, daar had ze een flink stuk touw. Den volgenden mor-

Sluiten