Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

Op eens bleef hij midden in de kamer staan; hij had zijn oogen kommervol op ons gericht, en zeide met een stem, zoo treurig, als ik hem nog nooit heb hooren spreken, zoo vol wanhoop:

„Kinderen, het kan erg worden. Daar, bij de Wetering ongeveer, zit een boot in het ijs vast en het is geheel onmogelijk haar los te krijgen. — Als de storm niet gaat liggen of draait en de boot nog steeds met zulk een kracht tegen den dijk gedreven wordt, zijn wij verloren. De dijk is nu week en kan het stuiten op den duur niet meer verdragen, dan breekt hij en het land overstroomt." —

Getroffen zagen wij vader aan. Moeder legde verschrikt haar lepel neer en vouwde haar handen tezamen. — Ik geloof, dat ze zacht bad. —

„Er zijn overal wachten opgesteld. Als het ongeluk gebeuren zou, schieten zij en dan wordt in de dorpen overal de stormklok geluid, ten teeken, dat menschen, die in de buurt wonen, op hun redding bedacht moeten zijn, daar het ergste gebeurd is. — Ik hoop, dat God ons zal bijstaan."

Zoo sprak vader, die anders niet zoo gauw in opwinding te brengen was, zorgvol. Het eten liet hij onaangeroerd staan; ook ons smaakte het niet zoo goed meer, en die goede, lieve moeder liep onrustig en treurig de kamer op en neer.

De nacht brak aan. De storm raasde maar door en het kwam mij voor, of hij een ijselijk bed zong. Naar bed wilde niemand van ons, doch vader en moeder stonden erop, dat wij, kinderen, gingen rusten. Onze kleeren hielden wij aan voor het ergste geval.

Opeens hoorde ik moeder luid jammeren, vlug sprong ik mijn bed uit, en daar zag ik haar midden in de kamer staan, handenwringend en luid weenend. Ik begreep direct wat er gebeurd was, en Klaas kwam nü ook luid schreiend de kamer binnen.

„Komt vlug", riep vader. „Klaas, hier, jij neemt de geit, ik neem de koe, en bedden en goed neem ik op mijn

Sluiten