Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

HOOFDSTUK VIII. Lente in het land.

Mei was gekomen. De boomen bedekten zich met ontelbare knoppen en bloesems. De weiden vulden zich met vee, en op de daken der boerenwoningen stonden de ooievaars, die de lente in hun oude verblijfplaatsen gelokt had.

Ook Griet bracht Maar vee naar de weide, en wanneer zij in den tuin werkte, het zij haar blikken vol tevredenheid gaan over de beide roodbonte koeien en het eenjarig kalf.

Louise had twee paar kousen gebreid, en toen zij deze naar de arme kinderen gebracht had, kwam zij stralend van vreugde naar huis.

„Mama, wat ben ik blij; Elza Reiman heeft de meisjes zooveel goed gebracht; alles, wat haar zusje behoord had, dat voor kort gestorven is, en de kinderen zagen er in die kleeren zoo netjes uit. Hun oude Grootmoeder huilde van vreugde, dat wij zoo aan ze gedacht hadden. — Elza heeft haar gezegd, dat zij het van mij wist, en zij was er mij heel dankbaar voor."

„Dat doet me genoegen, antwoordde Mevrouw Vermeulen. Je kunt in het vervolg best doorgaan kousen voor de kinderen te breien. Die kleintjes zullen wel wat verslijten, dar weet ik uit ondervinding; brei maar gerust verder."

Na een poosje ging Mevrouw Vermeulen voort: „Er is ook zoo juist een brief gekomen van Papa, hij heeft de groeten voor je gegeven. Tegen het einde van Augustus hoopt hij weer terug te zijn, dat wil zeggen als het met deze reis even goed gaat, als met de vorige. Ook voor de familie Van Walen heeft hij de groeten medegegeven."

Sluiten