Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

meisje van Van Walen met de boodschap van mijnheer, of mijnheer en mevrouw een uurtje mee wilden naar het schuttershuis, dan zouden ze samen kunnen gaan.

Daarop had mijnheer Vermeulen een poosje zacht met zijn vrouw gesproken en antwoordde toen, dat zij niet eerder konden dan tegen vier uur.

Stipt om vier uur gingen allen op weg, en toen zij bij de tent aankwamen, klonk hun reeds een vroolijke walsmelodie tegemoet, en toen zij nu bemerkt werden, richtten zich de blikken van alle aanwezigen op de jonge paren, die daar nu, stralend van innig geluk, de tent binnentraden.

Hans Vermeulen, die zijn zuster in de tent geleidde, eischte haar, toen de tweede dans opgeroepen was, daarvoor op; Frits Van Walen danste met zijn nicht Anna en haar jongste zusje werd door een jongen buurman gehaald.

Boer Van Walen was met mijnheer Vermeulen de tent uitgegaan, waar zij in de avondlucht heen en weer liepen. „Wat een hitte is daar in die tent", zeide de kapitein en veegde met zijn zakdoek zijn gezicht af.

„Als ik die jonge lui zoo zie, word ik zelf weer jong", zei de boer; „ach, dat was toch een heerlijke tijd, toen ik nog de uniform aan had. De onze was lichter dan die van Frits, en zag er nog aardiger uit. — Waarempel ja, toen was het wat; het heeft wel een mooi centje gekost, — maar men is toch maar eenmaal jong. — En Frits moet ook geen vrek zijn; dat heeft hij niet noodig. — Neen, ik kan een goed zakgeld geven; maar dat eene heb ik heb gezegd: „Hang je niet zoo lichtzinnig aan een meisje; vraag jc moeder om raad. — Op geld behoef je niet te kijken; maar een aardig, vriendelijk meisje moet je nemen, die ons acht en eert en die ons in ons werk behulpzaam kan zijn."

Zoo sprak Van Walen in praatzieke luim voort en liep met zijn buurman Vermeulen op het grasperk heen en weer, tot deze eindelijk moe werd en te verstaan gaf, dat hij 'wel gaarne naar huis zou willen.

Sluiten