Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

Hendrik hoe langer hoe hechter en beiden verlangden langzamerhand al even hard naar den Woensdagmiddag. Maar tegen zijn kameraden sprak Hendrik nooit over de bezoeken, die hij in het veldwachtershuis aflegde. Hij zou zich geschaamd hebben, als zijn vrienden er achter waren gekomen, dat bij, eiken Woensdag weer, een ziek meisje gezelschap hield. Dat was immers niets voor een jongen; dat zouden ze allemaal vreemd gevonden hebben en ze hadden hem zeker uitgelachen, als ze eens gezien hadden, hoe vertrouwelijk hij met Anneke zat te praten.

Een paar malen had Hendrik gemeend, dat Bertus op zijn bezoeken aan het veldwachtershuis zinspeelde, zoo stiekum weg onder het spelen door, maar later dacht hij ook weer, dat bij zich zeker vergist had.

Met den veldwachter stond hij op den besten voet. Die verheugde zich er in, dat zijn Anneke in Hendriks bezoeken afleiding vond en, als bij thuiskomend, zijn kleindochtertje eens hartelijk hoorde lachen, omdat Hendrik haar iets grappigs vertelde, kon hij zoo voor zich heen brommen: „Die jongen een dief? Gekheid, hoor. Maar die Bertus, die met zulke leelijke praatjes voor den dag kwam, is een lummel. Nou, we zullen dat jongmensch nog wel eens te pakken krijgen, en dan is hij er bij."

Sluiten