Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

een mooi exemplaar van het speenkruid geplakt. Wat had Hendrik die kelk- en kroonblaadjes netjes geschikt Wat deden de groene bladeren het sierlijk. En wat duidelijk en netjes had Hendrik er onder geschreven: Het Speenkruid.

„Verder." zei Bertus schor, maar hij had al geen hoop meer. Hij wist nu wel, dat zijn schrift lang en lang niet haalde bij dat van Hendrik, en de bladzijden, die Hendrik nu omsloeg zag hij maar heel onduidelijk en als door een waas.

Hij had de nederlaag geleden en al de jongens wisten het. Ze drongen hem achteruit en, tegen zijn gewoonte in, het hij zich dringen. Ze drongen hem achteruit, om beter te kunnen zien, ze dachten niet eens meer aan hem en aan zijn schrift; 't was Hendrik, die ze allen om zich had en Hendrik alleen.

Dat arbeidersjong!

Bertus beet zich op de tanden, om 't van nijdigheid niet uit te schreeuwen; hij had er wel op willen slaan, wel graag. Hij zou ze allen wel willen ranselen, allen, de lafaards, die gisteren nog zóó op zijn werk gepocht hadden en nu deden, alsof zijn schrift een prul was en anders niet.

Want dat jong mocht dan de bloemen wel mooi geschikt hebben, hij leek wel precies een meisje, hij, die elk kelk- en elk kroonblaadje afzonderlijk en voorzichtig behandelde. Uitlachen moesten ze hem, 't juffertje, maar dat deden ze niet; ze stelden zich aan, of ze nog nooit zoo iets prachtigs gezien hadden.

Alleen Willem Bruins bleef Bertus trouw.

,,'kVind er niet veel an," zei bij onverschillig tegen Hendrik, „en wat heb je eigenlijk aan zoo'n schrift. 'kWou nog liever. 'kZou d'r nog geen [vijf minuten mee bezig willen zijn."

Sluiten