Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

wel van theedrinken bij den onderwijzer van wien ze les hadden; maar bij Dr. Clentard — maar daar hij zich niets kwaads bewust was, ging hij met den kleine mee, en kwam spoedig daarna in het studeervertrek van het hoofd der school.

Verbazend vriendelijk was de ontvangst, en terwijl deze hem de hand toestak, wenschte hij Willem hartelijk geluk met het succes, dat hij sedert zijn komst op Crowbury had gehad.

„Maar wat ik vragen wilde: wil je van middag bij me komen eten?"

„Komen eten?" herhaalde Willem, half hardop.

„O jawel, ik wil heel graag komen."

Toen een uurtje later Willem met Dr. Clentard alleen aan tafel zat, kon hij zich niet voorstellen, dat die man daar, voor wien hij toch altijd zoo'n bang gevoel, zoo'n eerbied had gehad, hem nu zoo met de meeste hartelijkheid en voorkomendheid kon bejegenen.

't Gesprek liep natuurlijk over de bekende onderwerpen, die de aandacht van den jongen bezighielden.

„Nu zou ik je eens heel graag 'n vraag willen stellen," begon Dr. Clentard; „je hebt in dien korten tijd, dat je hier bent geweest, de zevende slaapzaal, die vroeger nooit veel waard is geweest, tot de beste van de eerste drie klassen gemaakt."

Willem draaide wat verlegen rond op z'n stoel; de ander stond op, kreeg een boek, en bladerde even daarin.

„Na je benoeming tot Captain ervan," zoo ging hij voort, „heb je 't nog verder gebracht; en bovendien je leeren is altijd ook zóó uitstekend, dat ik, met 't meeste plezier, je eens een genoegen wil doen. Ik meen je karakter wel zoo ongeveer te doorzien, en ik meen niet mis te tasten, als ik zeg, dat je 't niet zal laten je verder

Sluiten