Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

was er niemand. Voor haar lag de Bijbel, die met Lenda tegelijk in 't schip gevonden was.

Ze had een poosje zitten lezen, stond toen op en verliet 't vertrek.

Nog maar kort was ze weg toen Lenda binnentrad, zacht, om eens bij de zieke te kijken; niemand was in de kamer. De zieke lag stil, heel stil, alleen haar lippen bewogen zich en haar handen lagen gevouwen op de dekens.

Lenda ging zitten op den stoel, waarvan haar moeder zooeven was opgestaan. Ze bladert een beetje in den Bijbel, zag de aantee keningen, en meteen valt haar oog op 't blad van 't titelblad.

Hé! haar eigen naam; die Bijbel was aan haar moeder gegeven door haar vader bij haar eigen geboorte. Wat vreemd, dat ze dien Bijbel vroeger nooit eens gezien had!

Even later trad de gravin weer binnen: ze ontstelde, maar waarom eigenlijk? Er stond toch immers niets in, dat 't meisje niet weten mocht, meende ze.

„Hé, moeder! dien Bijbel heb 'k nog nooit gezien, en u hebt hem nog wel gekregen op mijn geboortedag. U heeft hier zeker al die aantee keningen gemaakt!?"

Die eenvoudige woorden, uitgesproken door het meisje, troffen de Gravin diep, ze brachten haar in 't nauw. Wat zou ze nu zeggen? Zou ze hegen, om Lenda de waarheid te verbergen of zou ze haar alles, alles meedeelen?

In beide had ze tegenzin, en medelijden gevoelde ze met 't lieve kind. Die waarheid moest ze toch immers vernemen, hoe eer hoe beter, want als haar eigen moeder weer eenigszins hersteld was, moest Lenda er toch op voorbereid zijn?

„Of ik er die aantee keningen in gemaakt heb?" vroeg

Echte Jongens, 2e dr. 12*

Sluiten