Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

de eerbiedwaardige relieken van hun martelaars godvruchtig bewaren.

Om in deze sombere schuilplaats den weg te kunnen vinden, steekt hij 'n harstoorts aan, die hij onder zijn opperkleed heeft verborgen gehouden. Bij 't schijnsel der toorts ziet men aan zijn zijde den officiersdegen schitteren der lijfwacht van Diocletiaan.

Op 'n plaats gekomen, waar 't gewelf eensklaps breeder wordt en 'n zuilengang vormt, laat hij zich op één knie neer en klopt driemaal op 'n grafsteen, die daar ligt. Drie slagen van doffen en gedempten klank geven antwoord op die geheimzinnige teekens. De officier staat op, gaat eenige stappen verder en daalt 'n trap af. Nu bevindt hij zich onder den steen, waarop hij zooeven geklopt heeft. Hij opent 'n deur, die toegang verleent tot 'n grafkelder, en in die crypte zit 'n gesluierde vrouw bij 'n graf te bidden.

— „Glorie aan God!" sprak de jonge man.

— „Amen", antwoordde de vrouw.

En zonder andere inleiding vervolgde hij:

— „Terwijl je hier vreedzaam zit te bidden, Claudiana, schoolt 't volk daarboven onrustig samen voor 't paleis van Diocletiaan en wordt 'n ernstige zaak in den keizerlijken raad behandeld".

— „Ik weet 't", antwoordde de vrouw zacht.

fiEn denk je, dat de sluwheid van Galêrus de overhand

zal behalen op den vasten wil van Diocletiaan?" vroeg de jonge man.

— „Diocletiaan heeft lang weerstand geboden", hernam de vrouw. „Tot op dezen dag zag hij in de christenen een der zekerste steunen voor zijn troon. Hij rekende op hun dapperheid in den strijd; hij bewonderde hun getrouwheid tijdens den vrede en hun rechtschapenheid bit 't waarnemen der ambten.

Sluiten