Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

180

gezag, dat zij erkenden, schenen de christenen in 't oog der Romeinen en der Keizers 'n gevaarlijk genootschap te vormen. En in hun nachtelijke vergaderingen konden ze gemakkelijk tegen den staat samenspannen.... Velen werden dan ook opgeofferd uit staatkunde of als weerspannigen aan de wetten of om bijzondere misdaden.... Er is niets bovennatuurlijks gelegen in de standvastigheid, die ze in 't gezicht van den dood hebben getoond. Twee woorden: dweepzucht en bijgeloof, verklaren alles, en andere valsche godsdiensten hebben ook hun martelaars gehad.... Overigens wordt er slechts melding gemaakt van ongeveer twee honderd martelaars in de laatste regeeringsjaren van Diocletiaan en dat over de gansche uitgestrektheid van 't Romeinsche keizerrijk." (*).

Zoo luiden de voornaamste betoogen, die de vijanden der Kerk aanvoeren om den roem van haar martelaren te betwisten. God, die den geest van 't kwaad soms schijnbaar laat zegevieren, had deze leugens ingang kunnen laten vinden, maar Hij heeft 't niet gewild. Wonderbare zaak, als ze niet door de Voorzienigheid beschikt is. Terwijl de wereldlijke schrijvers hun spijt betuigen over 't volslagen gebrek aan documenten, betreffende zekere regeeringen, in 't bijzonder die van Diocletiaan, zijn ons de oorspronkelijke geschriften van 'n menigte schrijvers bewaard gebleven tot verdediging van onze aangevallen heilige martelaars.

Zosimus schreef over Diocletiaan: wat er over dezen vorst geschreven is, is verloren gegaan. Om over dezen keizer en de gebeurtenissen van zijn lange regeering te spreken, moet men zich beperken tot de verkortingen van Zonarus, Eutropus en de twee Victors, eenige lofredenen vol overdreven

I1) Zoo schreef Voltaire.

Sluiten