Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ie

VAN LUILEKKERLAND.

II

„Dat is aardig!" riep ik, „dat zou net iets voor u zijn, want u heeft geen tanden meer!"

„Ja," zei het vrouwtje, „daarom vertel ik je dit ook het allereerst omdat me dat altijd zoo mooi lijkt! Maar — er zijn ook andere beekjes, hoor! Daar zwemmen allerlei soorten van visschen in, heerlijk gebraden of gekookt. Ze komen heel dicht naar den wal toe als je je hand er naar uitstrekt, en als je dan soms nog te lui bent om je te bukken, dan zeg je maar: „Bsssst!" — en dan doe je je mond wijd open. En kijk, dan springen ze je regelrecht in den mond!"

„Maar zóó lui zal toch wel niemand zijn!" riep ik uit.

„Toch, kindje, toch," zei het oude vrouwtje. „Geloof me, als je een dagje in Luilekkerland aan 't smullen bent geweest, dan word je zóó lui — nee maar, zóó vreeselijk lui! Dat behoort zoo in dat land, weet je? Hoe luier je bent, des te aardiger vinden ze je, en elk jaar is er een luiheidswedstrijd; dan wordt de aller-aller-aller-luiste tot Koning van Luilekkerland gekozen.

Daarom zijn dan ook de vogels, die gebraden in de lucht rondfladderen, er op gedresseerd om luie menschen regelrecht in den mond te vliegen. En als je fluit: „Tirela, tireli!" dan komt er een gebraden speenvarkentje naar je toe huppelen, met een mes in zijn rug. Dat varkentje gaat dan naast zoo'n lui schepsel liggen, zoodat dit gemakkelijk het eene lekkere stukje gebraden vleesch na het andere uit zijn rug kan snijden, zonder op te staan van zijn bed.

Als je in Luilekkerland wandelt en goed toekijkt, dan zie je dat de steenen, die je aan den weg ziet liggen, geen echte steenen zijn, maar groote en kleine kazen van allerlei soort, en — je zult 't haast niet gelooven! — de allerkleinste zijn géén kaasjes, maar heerlijke, fijne vischen garnalenpasteitjes, warm uit den oven.

Nu kan het soms gebeuren dat 't in Luilekkerland gaat regenen; maar schrik niet, want dan regent het honigdruppels, die je van de boomen kunt likken, zonder je te bukken.

Ate 't sneeuwt, dan sneeuwt het poedersuiker en..."

„Hè," riep ik, „sneeuwt het daar dan ook, en is 't er dan ook winter?"

Sluiten