Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

van den adel, met het Parlement van Parijs als bondgenoot, tegen de absolute regeering. In het tijdperk, dat nu aanbreekt, waarin het koningschap ook in uiterlijken glans toeneemt, en zich weldra te Versailles een schitterend hofleven ontwikkelt, zien wij de edelen geheel opgenomen in de hofkringen en medegenieten met den vorst, wiens macht hun stand oorspronkelijk een doorn in het oog was.

Tijdens Lodewijk XIV bereikt het absolutisme zijn hoogtepunt. Hij beschouwt zich zelf als den door God aangewezen vertegenwoordiger van alle wereldlijk gezag in het Rijk. Er was geen orgaan in den Staat, dat eenig dwingend gezag over het koningschap, het hoogste gezagsorgaan, kon uitoefenen.

De staatsleer en het staatsleven van het Ancien Régime wordt beheerscht door deze tegenstelling: de overheid tegenover het volk. De overheid wordt niet gezien als geplaatst in het volk, als daarvan een deel vormend, maar als staande buiten en boven het volk, krachtens een persoonlijk gezagsrecht de onderdanen beheerschend.

In de absolute monarchie, zooals wij die in Frankrijk zien ontwikkeld, berustte het gezag één en ondeelbaar in den persoon van den monarch. Dat is per slot van rekening het resultaat van de Fronde. Door zijne overwinning op den weerbarstigen adel en het onwillige parlement van Parijs is Lodewijk XW een zelfheerschend koning geworden.

Wij zien thans de vorstelijke macht in den modernen vorm, geheel ontdaan van het middeleeuwsche karakter. De vraag is nu, heeft dat moderne karakter zijn stempel gedrukt op de geheele staatsinrichting, is de moderne monarchale idee doorgevoerd in alle geledingen van het staatsbestuur? Voor zoo'n volledige doorvoering werd vereischt de overal zichtbare, alles omvattende, in alles ingrijpende werkzaamheid des Konings en de glans zijner persoonlijkheid, kortom, een tot werkelijkheid geworden uitspraak: 1'état c'est moi.

Sluiten