Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET GEZAG

Deuteronomium 27 : 16, leefde diep in het Israëlietische volksbewustzijn.

Het eeren van de ouders was in Israël, al waren ook daar wel ondeugende kinderen, een volksdeugd, gelijk ook het eeren van vader en moeder nog een deugd van het Jodendom is.

En let men nu op het zooveel langere volksbestaan van Israël in zijn land, tegenover het zooveel kortere bestaan, dat andere volkeren hadden, dan blijkt ook hier weer, dat de Heere een Waarmaker van Zijn Woord is.

Ja, mits düs opgevat, is deze belofte ook algemeen menschelijk. In China b.v., waar eveneens het eeren der ouders een volksdeugd is, vindt ge, dat het volksbestaan eeuwen en eeuwen telt.

Worden onder een volk de ouders geëerd, dan moet dit ook gunstig werken op zijn bestaan. Immers, juist in het gezinsleven wortelt zoowel het sociale als het staatsleven. Is het eerste gezond — en dat is het, wanneer het ouderlijk gezag er in eere is, — dan werkt dit ook gunstig op maatschappij en staat.

Verder moet hier nog de vraag besproken, hoe de apostel Paulus kan zeggen, dat het vijfde gebod het eerste gebod is met een belofte. In Efeze 6 toch, waar hij zich tot de kinderen richt, schrijft hij in vers 2 en 3: „Eert uwen vader en moeder, hetwelk het eerste gebod is met eene belofte, opdat het u welga en gij lang leeft op de aarde."

Velen nu komt dit eenigszins vreemd voor, omdat er, zeggen zij, toch ook achter het tweede gebod een belofte staat: „En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijne geboden onderhouden" (Exodus 20 : 6; Deut. 5 : 10).

Wanneer men echter in het oog houdt, wat wij vonden bij de bespreking van het tweede gebod, dat de woorden in Ex. 20 : 6 en Deut. 5 : 10, als „belofte" nevens de „bedreiging", tot de sanctie van heel de Wet, dus van al de geboden behooren, dan is dit zeggen van den Apostel minder vreemd.

Maar ook zoo blijft er nog iets over, dat bevreemden, kan.

Wie spreekt van een eerste belofte, moet ook kunnen spreken van een tweede, een derde.

Noemt de Apostel nu, wijl Exodus 20 : 6 en Deut. 5 : 10 voor al de Tien geboden gelden, het vijfde gebod het eerste gebod met een belofte, dan zou men verwachten, dat er nog minstens een tweede gebod met een belofte moest volgen.

Maar dit is niet zoo.

Onder de zes geboden, die nu volgen, het zesde tot en met het tiende, is geen enkel gebod met een belofte.

Doch ook dit zal men niet langer vreemd vinden, indien men maar de uitdrukking van Paulus: „het eerste gebod met eene belofte", niet beperkt tot de Tien geboden, maar laat gelden van het geheel der door den Heere aan Israël gegeven geboden. Feitelijk toch is het vijfde gebod, onder al de geboden, die Israël zoo in den decaloog als in de verdere wetgeving ontving, het eerste gebod met een belofte.

Had Paulus, toen hij zijn brief aan Efeze schreef, uitsluitend de tien

Sluiten