Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET SOCIALE QEZAQ

59

op de plaats waar God hem gezet heeft, in ondergeschiktheid aan die boven hem gesteld zijn, arbeiden aan de taak, waartoe God hem geroepen heeft.

Dan, is dit het algemeen menschelijke, het specifiek Christelijke nu, dat, wat deze sociale onderdanigheid tot een Christelijke maakt, haar tint en kleur geeft, ligt èn in de omstandigheid dat zij openbaring moet wezen van het vervuld zijn met den Geest, èn in de woorden, dat Paulus aan het „elkander onderdanig zijnde" toevoegt: in de vreeze van Christus.

Deze „vreeze van Christus" toch is niet anders dan het ontzag, de heilige eerbied en de eerbiedige liefde van den Christen voor Christus, zijn Heere en zijn Hoofd. Het is de teedere, consciëntieuze schroom van den Christelijken deemoed, om Hem te mishagen, ook in het saamleven met onze medemenschen.

Het is in deze Christelijke gezindheid, dat wij „elkander onderdanig" moeten zijn.

• * *

De Apostel leidt uit dezen algemeenen plicht tot Christelijke onderdanigheid dan de bijzondere plichten af, die de vrouw jegens haar man, de kinderen jegens hun ouders, de huisslaven jegens hun heeren hebben (Efeze 5 : 22—6 : 9).

Alzoo de gezagsverhouding in het gezin, zooals wij die in de vorige hoofdstukken leerden kennen.

Dan, evenzeer als in dezen algemeenen plicht tot Christelijke onderdanigheid de bijzondere plicht ligt van hen, die in het gezin onder anderen gesteld zijn, zoo liggen daarin ook de plichten van hen, die in de verschillende kringen en betrekkingen der maatschappij onder anderen gesteld zijn.

En zoo hebben wij dan, door in het voorafgaande de Christelijke onderdanigheid in haar algemeenheid te teekenen, ons den weg gebaand om bij de bespreking van de onderscheidene wijzen, waarop in de verschillende maatschappelijke kringen met hun relaties naar Christelijke beginselen het gezag moet uitgeoefend, tevens de onderdanigheid, die daaraan, naar diezelfde beginselen, beantwoorden moet, in het licht te stellen.

*

Vangen wij onze bespreking over de verhouding van gezag en onderdanigheid aan met dien kring of stand der maatschappij, welken we in het vorige hoofdstuk leerden kennen als den stand, wiens taak het is, te voorzien in de stoffelijke of materieele behoeften der maatschappij, en die daarom dan ook, het woord natuurlijk genomen in den ruimsten zin, kan aangeduid als de stand, die zich zelf en de anderen voedt.

Hebben wij toen gezien, hoe, ook bij de voorziening in de materieele behoeften, uit het gemeenschapsgevoel en den drang tot samenwerking en verdeeling van arbeid de landbouw en veeteelt, de nijverheid of industrie, de handel en de scheepvaart en het verkeer over land op-

Sluiten