Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — HET GEZAO

geen rekening wordt gehouden. Ook al weet men niet, hoe het gezag is ontstaan, zooveel begrijpt men er wel van, dat er niet ereis een dag was, waarop het zoo maar bij onderlinge afspraak ontstond. Evenmin als men ergens of ooit de religie en de zedelijkheid; het huwelijk van één man met één vrouw; of den eigendom, zoo maar eens bij overeenkomst ziet ontstaan, evenmin het sociale gezag.

Maar ook zij, die gemeend hebben, op de vraag naar den grond van het recht van zeggenschap of van het recht van gezagsoefening, te moeten heenwijzen naar het nut van het algemeen, of de wetten, die de menschen gemaakt hebben, geven daarmee antwoorden, die niet bevredigen. Onbevredigende antwoorden niet slechts voor hen, die van de gezagsoefening, voor wat hün individueel nut betreft, allesbehalve zijn overtuigd; of voor hen, die aan het maken der wetten part noch deel hebben gehad; maar eigenlijk onbevredigend voor een ieder.

Immers voor ons zedelijk bewustzijn schept het nuttige nog geen rechten. Kajafas moge voor zich zelf al overtuigd zijn geweest, „dat het ons nut is, dat één mensch sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga" (Joh. 11 : 50), niemand gelooft, dat uit dit nuttige het recht kon ontstaan om den Rechtvaardige te dooden.

En zoo ook kan een door menschen gemaakte wet wel rechten of bevoegdheden verleenen, maar aan zulke wetten zullen wij ons, afgezien van andere beweegredenen, alleen dan in de consciëntie gebonden achten, wanneer de bevoegdheden, die zij verleent, met ons besef van wat recht is overeenstemmen.

En zoo moest men dan, waar het recht van God Almachtig óók om den eenen mensch door de hand van den anderen te regeeren, niet meer wordt erkend, ten slotte wel uitkomen bij de theorie, dat het recht van zeggenschap, door menschen over menschen geoefend, niet anders dan physieke overmacht is; moest men den grond van het gezag zoeken in „het recht van den sterkste".

*

Hiertoe nu is het bij de ontkerstening der Christenvolkeren door de „vrijzinnigheid", aangevangen in de 18de en steeds toegenomen in de 19de eeuw, in ons maatschappelijk saamleven metterdaad gekomen.

Met name in den stand waar men zich bezighoudt met de voorziening in de stoffelijke behoeften der maatschappij, werd en wordt nog, in zeer breeden kring, het gezag geoefend als ware het 't recht van den sterkste, van den sterkste door het bezit; geoefend, wijl men, als de onrechtvaardige rechter uit Jezus' gelijkenis, „God niet vreest en geen mensch ontziet" (Luk. 18 : 2), met brutaal egoïsme.

En is het bij den afkeer, dien de mensch van nature tegen de onderdanigheid heeft, te verstaan, dat geen theorie over het recht van gezag meer in staat is tot voortdurende wederspannigheid te prikkelen; meer in staat is, hem, die zich, door den nood gedrongen, aan het gezag moet onderwerpen, tot wanhoop te drijven; evenzeer is het bij de wetenschap, dat liefde, ook natuurlijke liefde, nog wel onderdanigheid kan werken, te verstaan, dat het egoïsme van wie heerschen, moet uitloopen op het

Sluiten