Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDIGEN TEGEN DES NAASTEN LEVEN

175

.En eindelijk, wanneer deze onheilige toorn nóg sterker wordt en zich uit in nog hatelijker woord dan Raka, in een woord als Dwaas, wat hier den zin heeft van „booswicht", dan is ook de mate van de schuld voor God nog grooter, dan verdient zulk een mensch de eeuwige straf van het helsche vuur, van de Gehenna, de plaats, die, naar de voorstelling der Joden, voor de pijniging der goddeloozen was bestemd.

Men lette er hiér op, dat Jezus wel van de toornigheid en haar minder en meerder sterke uiting in het schimpende woord, maar niet van den moord zelf spreekt.

Dit is zeker niet zonder opzet, en 's Heeren bedoeling is hier dan ook doorzichtig genoeg. Hij toch wilde de Zijnen doen voelen, dat onder hen de moord als daadzonde iets ongehoords moest zijn.

En ook lette men er wel op, hoe, naar de diepe en alleen ware uitlegging van de Wet, die Jezus hier geeft, gemis aan naastenliefde — dit gemis is positief naastenhaat — door alle gradaties heen door God met heilige strengheid vergolden wordt.

Het is deze diepere opvatting van de Wet, als overtreding van het zesde gebod, die heel den zondigen trek van het menschenhart om Zijn naaste te haten, onder Christenen zedelijk doet veroordeelen.

En het is deze haat van het natuurlijk hart, die, als hij doorwerkt, het leven van den naaste dan ook doet „verbreken" in stee van het te bewaren.

Het egoïsme, of de in zelfzucht omgeslagen zelfliefde, wordt licht in toorn ontstoken, als de naaste er hinderlijk voor wordt; en de haat van het natuurlijk hart wordt gewekt door den nijd, die echter niet tegen den persoon van den naaste, tegen zijn leven, maar tegen zijn bezit en zijn eere gaat, dus tegen wat bij dat leven bijkomt.

Dan ontwaakt de booze wil om het leven van den naaste te vernietigen.

Eerst nog maar in de gedachte, dan in het schimpende, krenkende en scheldende woord, en eindelijk in de daden van mishandeling, kwetsen en dooden.

En zoo is het ook de zondige zelfzucht, die het heilig rechtsgevoel der vergelding doet omslaan in wraakzucht, welke niet doet verlangen, dat aan het geschonden Recht wordt voldaan; dat de zondaar, omdat hij zich aan Gods Recht vergreep, door God wordt gestraft; maar, dat aan de menschen, die onze rechten te na kwamen, leed wordt aangedaan. Vlak in dus tegen het voorbeeld van Hem, die het onrecht, dat de menschen Hem aandeden, overgaf aan Dien, die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petrus 2 : 23).

En evenzeer als de zelfzucht het leven van den naaste niet doet bewaren, maar vernietigen, zoo ook doet zij het leven van den naaste niet bevorderen, maar benadeelen; zijn zinnelijk leven, maar ook zijn geestelijk leven.

Sluiten