Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

210

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE KUISCHHEID

Deze reinheid of kuischheid is een onderdeel van de deugd der matigheid of matiging, welke deugd men gewoonlijk als zelfbeheersching aanduidt, en waarvan, gelijk wij zagen, ook gesproken wordt in Titus 1 : 8, op welke plaats zij van den opziener in de gemeente geëischt wordt.

In den ruimsten zin is deze matigheid of zelfbeheersching des menschen een zich houden binnen de zedelijke grenzen; een niet overschrijden van die grenzen. Aan het menschelijk handelen toch zijn perken gesteld, ordinantiën des Heeren, die 'n mensch wel kan, maar niet mag overtreden.

En zoo is dan de zelfbeheersching een onderwerpen van alle onzedelijke begeerten onder het gebod der onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Wijl nu de mensch een geestelijk-zinnelijk wezen is, zit hierin tweeërlei.

Zijn ziel moet heerschen over zijn lichaam, opdat hij met ziel en lichaam God als zijn Heere diene.

Toegepast op het sexueele leven, op de geslachtsdrift, waarover het hier bij het zevende gebod gaat, openbaart zich deze zelfbeheersching als eerbaarheid, zedigheid, kuischheid; streng genomen slechts als de eerste twee, waht in de eerbaarheid en de zedigheid toont zich de gezindheid der kuischheid; der kuischheid ais de verzedetijking van de natuurdrift of het brengen van haar onder de macht, de heerschappij van den goeden wil.

De hooge waarde van deze deugd der kuischheid voor het sociale leven komt ook hierin uit, dat men in de taal van het dagelijksch verkeer van haar spreekt als van de zedelijkheid.

Zoo noemt men ook het barmhartigheid oefenen het wéldoen.

* *

Nu is de beoefening van de deugd der kuischheid niet voor allen even zwaar of voor allen even licht.

In ons huwelijksformulier wordt gesproken van „de gave der onthouding".

Wat daaronder te verstaan isy wordt duidelijk uit 1 Cor. 7 : 7, waar de heilige Apostel zegt: „Want ik wilde, dat alle menschen waren, gelijk als ik zelf ben; maar een iegelijk heeft zijne eigene gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzoo." — Paulus handelt in dit vers, gelijk in heel dit hoofdstuk, over het huwelijk. In verband daarmede spreekt hij, met het oog op de, naar hij meent, nabijzijnde komst des Heeren, hier als zijn wensch uit, dat alle menschen de gave der onthouding mochten hebben; het charisma, hetzij dan de natuur- of de genade-gave van zich van het huwelijk te kunnen onthouden; iets wat voor den Apostel, bij zijn gevaarvol en felbewogen leven, metterdaad een charisme was.

Deze „gave der onthouding", of dit „donum continentiae", bedoelde ook de Heere Jezus, toen Hij tot Zijn discipelen zeide: „Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lichaam alzoo geboren zijn" (Matth. 19:12a).

Dit is beeldspraak.

Het woord eunuchen — van eunë = bed, en echein = in bewaring

Sluiten