Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET TIENDE GEBOD.

BEGEEREN»

Gij zult niet begeeren uws naasten huis, gij zult met begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat uws naasten is.

Exodus 20 : 17.

Düs luidt naar Exodus 20 het tiende gebod.

Legt men hiernaast den tekst van Deuteronomium, dan zal men bespeuren, dat er eenig verschil is. In Deuteronomium 5 : 21 toch staat:

En gij zult niet begeeren uws naasten vrouw; en zult u niet laten gelusten uws naasten huis, zijnen akker, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat uws naasten is.

Hier is alzoo, door het voegwoord en, het vers met het vorige verbonden; gaat niet het huis, maar de vrouw voorop; staat van begeeren, maar ook van zich laten gelusten te lezen; wordt eindelijk, anders dan in Exodus, ook de akker genoemd.

Dergelijke verschillen in den tekst van den decaloog, zooals wij dien in Exodus 20 en Deuteronomium 5 hebben, zijn bij de behandeling der Tien geboden meermalen onder de oogen gezien. Gelijk vroeger hebben wij ons ook nu weer in te denken, niet slechts, dat de Heilige Geest de eerste auteur van de door Hem ingegeven Schrift is, maar ook, dat de Tien geboden, in enger zin, eigen woorden Gods zijn; woorden, door Hem met hoorbare stem gesproken bij den Sinaï, en woorden, door Hem, bij de herhaling van de Wet, aan Mozes geïnspireerd, ingedragen in diens bewustzijn.

Denken wij ons dit in, en bedenken wij daarbij, hoe zelfs een mensch, wanneer hij zijn eigen woorden herhaalt, in vele gevallen vrij blijft daarin wijzigingen te brengen, dan zal ook hier, bij het tiende gebod, alle bevreemding over het verschil tusschen Exodus 20 : 17 en Deuteronomium 5 : 21 wijken.

*

Sluiten