Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RELIGIE DES VERBONDS

61

Blijven Gods geboden onveranderlijk dezelfde voor al wat mensch is, en zijn er dus geen andere geboden voor een Christen dan voor een mensch, toch staat de Christen anders tegenover de geboden Gods dan de niet-Christen.

Het is vooral in de leer des Verbonds, waarvoor de gegevens zoo duidelijk in de Schrift liggen en die, met name in onze Gereformeerde Theologie, tot eere kwam, dat deze verhouding van den Christen tegenover de Wet zoo helder uitkomt.

Het gaat niet aan, deze leer hier in haar geheel te ontwikkelen; toch mag, waar wij bij de behandeling van de Tien geboden thans toegekomen zijn aan het eerste gebod in betrekking tot den Christen, van haar niet worden gezwegen.

En dan zij er eerst weer op gewezen, hoe de Wet des Heeren, als Zijn geopenbaarde wil voor 's menschen bestaan en gedrag, wel niet in den vorm der Tien geboden, maar toch naar haar wezen ingeschapen was in het bewustzijn van Adam.

Als zoodanig waren aan deze Wet beloften noch bedreigingen gebonden.

Alleen uit het scheppingsrecht van God vloeide 's menschen verplichting voort, haar te gehoorzamen, en in den heiligen mensch was dit niet anders dan een gehoorzaamheid uit liefde.

Maar eerst later kreeg de Wet voor den mensch haar bedreiging en belofte.

*

Dan, reeds vóór de grondlegging der wereld greep, in de stilte der eeuwigheid, plaats de sluiting van het Verbond der Genade tusschen den Vader en den Zoon als Middelaar van God en Zijn uitverkorenen, waarin de laatste zich vrijwillig als Borg bij God stelt om als mensch voor alle uitverkorenen en in hun plaats de Wet te vervullen en de straf, die aan haar overtreding zou worden verbonden, te lijden, om dus het lijden van hen op zich te laden, en de belofte, die aan haar vervulling zou worden gebonden, voor hen en in hun plaats te verwerven.

Een verbond, waarin van Gods zijde alles genade is en dat daarom dan ook te recht een Verbond der Genade mag heeten; maar waarin aan Gods recht tegenover den mensch door het lijden en doen, door het „werk" van den Middelaar, volkomen zou worden voldaan, en dat daarom voor Hem een Verbond der Werken was.

Is er in God geen strijd tusschen genade en recht, wijl de genadige God rechtvaardig en de rechtvaardige genadig is, de zaliging van zondaren gaat juist — en dat is de diepe zin van de leer der voldoening — niet buiten het recht Gods om.

Vandaar, dat ook de Middelaar, als Hij voleindigd had het werk dat de Vader Hem gegeven had om te doen, kon bidden — zooals geen mensch mag bidden —: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt" (Joh. 17 : 24).

Sluiten