Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET TWEEDE GEBOD.

DE EEREDIENST.

i.

INDEELING DER GEBODEN.

Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijne geboden onderhouden.

Exodus 20 :4—6.

In het inleidend hoofdstuk op de Tien geboden wezen wij alleen op het feit, dat de indeeling van den decaloog bij de Gereformeerden anders is dan bij de Lutherschen en Roomschen. Ons de nadere bespreking daarvan voorbehoudende bij de behandeling der afzonderlijke geboden, gingen wij daar toen niet verder op in.

Hier, bij de behandeling van het tweede gebod, komt dit verschil van indeeling als vanzelf ter sprake. Het gaat namelijk om de vraag, of wat in Exodus 20 : 4—5a en in Deuteronomium 5 : 8—9a staat, te recht als een afzonderlijk gebod, en wel het tweede, moet beschouwd, zooals wij Gereformeerden doen, dan wel als nog een deel van het eerste, zooals de Lutherschen en Roomschen doen.

Hiermee hangt dan saam een andere vraag, of namelijk de in Exodus 20 : 5b en 6 en in Deuteronomium 5 : 9 en 10 vermelde bedreiging en belofte alleen ziet op wat bij ons het tweede, dan wel ook op wat bij ons het eerste gebod is.

Sluiten