Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — REVELATIE

het is evenzeer zonde, Zijn openbaring te gebruiken in dienst van het onheilige, het egoïsme, het misdadige.

God heeft ons Zijn openbaring geschonken; zich aan ons bekend gemaakt in de wereld; in natuur en Schrift, opdat wij uit wat daarin van Hem kenbaar is, Hem „recht zouden kennen".

* * *

Gaan wij dus bij de behandeling van het derde gebod uit van de letterlijke vertaling, waarvan wij den zin nu hebben toegelicht: Gij zult niet opheffen den Naam van Jehova uwen God tot het ijdele, onze bedoeling is daardoor juist, een dieper en rijker inzicht in deze ordinantie des Heeren voor het leven der religie te geven; door te dringen tot den geestelijken zin van dit gebod. Want wel moet toegestemd, dat de meesten in Israël bij dit gebod aan niet veel meer dan aan een verbod tegen vloeken, meineed en lastering zullen gedacht hebben, doch dit doet er hier niet toe. Zelfs Israëls profeten hebben niet altijd de diepte van de hun door God ingegeven woorden verstaan, en meer gezegd dan zij zelf wisten; en wij, geloovigen van den nieuwen dag, hebben metterdaad een dieper inzicht in Gods openbaring dan de geloovigen uit den tijd der belofte.

Met een naam heeft God zich aan Israël bekend gemaakt.

Maar wij, die weten, dat de Naam het wezen is voor zoover het geopenbaard is, kunnen van dien Naam op de openbaring Gods teruggaan.

* * *

De heilige Naam van Israëls God werd geschreven met een viertal letters, een viertal medeklinkers, want het Hebreeuwsch heeft geen klinkers. Hoe nu die naam, welke uit de letters IHVH bestond, moet uitgesproken, weet men thans niet meer met zekerheid. De oorzaak hiervan is, dat de Joden, althans na de ballingschap, meenden, dat in het derde gebod zelfs verboden was den naam van Israëls God uit te spreken.

Calvijn noemt dit te recht een dwaas en kinderachtig uitdenksel, alsof de majesteit Gods in letters of lettergrepen ware ingesloten.

Dan, de gewoonte om den „onuitsprekelijken Naam" niet te noemen, is van vèr reikende strekking geweest. Een Jood sprak nooit die vier letters IHVH uit, maar zeide dan Adonal, wat „Heere" of oorspronkelijk „mijn Heere" beteekent. En toen nu in later tijd onder de Hebreeuwsche letters ook klankteekens werden geschreven, zetten de Joden onder die vier medeklinkers IHVH de klankteekens van Adonai, doch zóó, dat voor het eerste teeken e in plaats van a kwam. Plaatst men deze klankteekens nu niet onder — zooals zij in onze Hebreeuwsche Bijbels staan — maar tusschen de vier medeklinkers, dan krijgt men dus jehovah.

Een orthodoxe Jood spreekt ook nu dit düs gevormd woord nooit uit, maar zegt, waar hij het in zijn Bijbel vindt, altijd: Adonai.

Hoe de vier medeklinkers moeten uitgesproken worden, weet men, gelijk wij reeds opmerkten, dus niet met zekerheid. Velen zeggen en

Sluiten