Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HEILIGEN VAN DEN NAAM

257

der aarde zullen zien, dat de Naam des Heeren over u genoemd is."

En deze afzondering Israëls in een verkiezing uit alle volkeren der aarde tot Zijn volk, dit heiligen van Israël, komt tot stand in den tijd der Egyptische verlossing: „Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat eene vreemde taal had, zoo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijne volkomene heerschappij" (Ps. 114 : 1, 2).

Is nu God de Heilige, omdat Hij Zijn volk afzondert van de wereld en zich ten eigendom verkiest, en is Hij daarom ook alleen voor Zijn volk de Heilige, — daaruit volgt, dat Hij tegenover de wereld in een andere verhouding staat. Waar Hij Zijn volk afzondert, Iaat Hij de wereld liggen; waar Hij Zijn volk verkiest, verwerpt Hij de wereld; waar Zijn volk heilig wordt omdat het door Hem in een bijzondere verhouding tot Hem komt te staan, blijft de wereld wat zij is, onheilig.

De wereld kent God niet als den Heilige.

Dit nu geldt niet van de wereld, van de menschenwereld gelijk God haar schiep, maar van de wereld zooals zij door de zonde is geworden: van de zondige wereld.

En dit baant ons den weg om den zin van heilig nog dieper te verstaan.

God is heilig, en omdat Zijn volk door Hem is uitverkoren, is ook dat volk heilig, wijl Hij zelf, en door Hem Zijn volk, staat tegenover de zondige wereld. „Gij zult heilig zijn; want Ik, de Heere uw God, ben heilig" (Lev. 19 : 2) is de gedachte van het Verbond: een gedachte, die ook in den tijd van de nieuwe bedeeling wordt uitgesproken, wanneer Petrus, de apostel van Jezus Christus, schrijft: „Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gij zeiven heilig in al uwen wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig" (1 Petrus 1 : 15 en 16). Iets, waarbij gij wèl moet letten op dat andere woord: „Ik ben de Heere, die u heilige" (Lev. 21 : 8) want het is altijd God, die Zijn volk heiligt. Maar al is God de Heilige, omdat Hij, door Zijn volk te verkiezen, scheiding maakt tusschen dat volk en de zondige wereld, heilig heeft nog een veel rijker zin dan alleen dien van nietzondig.

En juist die rijker zin komt uit, indien wij letten op wat God voor Zijn volk doet; op de wetten, die Hij aan Zijn volk geeft, en op de leidingen, die Hij met Zijn volk houdt.

De „Thorah" of „leer" gewoonlijk vertaald door „Wet", die Jehova Zijn volk geeft, en die dan zoowel de Tien geboden, als de ceremonieele en de burgerlijke wetten bevat, bedoelt niet slechts Israël te onderrichten, hoe het bestaan en leven moet afgezonderd van en in tegenstelling met de zondige wereld, maar ook, hoe het bestaan en leven moet overeenkomstig Zijn wil; maar ook — men denke aan de ceremonieele of schaduwachtige wetten — geeft zij onderricht in den weg der verzoening of der bedekking van de zonde voor God. In Israëls heiligdom zal hij,

Ordinantiën lil 17

Sluiten