Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

308

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — REVELATIE

zachtst uitgedrukt, vöor niet onbedenkelijk; tóeM, leert ons in dit verband zijn uitroep: „De wijn is afgetapt en moet gedronken worden 1"

En onder deze CArafe/zvolkeren nu, en dat is juist het ontzettende, wordt de Naam van God, niet anders dan in de vóór- en buitenChristelijke wereld, nog altijd gehoond.

Gehoond, ook door Zijn openbaring te laten liggen, niet te gebruiken; om dan eigenwillig een andere openbaring, een andere revelatie te zoeken, te willen gebruiken. Metterdaad toch geschiedt dit in de tegenwoordige z.g. theosophtt; in de anti-Christelijke wijsbegeerte, en in allerlei superstitie of bijgeloof, met name in het hedendaagsche spiritisme.

Om tegen deze zonden voor God te waarschuwen, van deze overtredingen van het derde Zijner geboden af te manen, zullen wij ze in dit en in de volgende hoofdstukken doen kennen.

* *

Wij beginnen daartoe met de laatste, en dus met de superstitie of het bijgeloof, r

Wanneer wij hier bij het derde gebod van het bijgeloof handelen, hebben wij, gelijk reeds in het vorige hoofdstuk, waarin wij van de superstitie in de heidenwettW,spraken, is gezegd, het woord te nemen in enger zin. En wel zoo, dat men, om iets te bewerken of te weten, wat de almachtige, alwetende God alleen kan bewerken of openbaren, zich tot de schepselen wendt.

En bij dit bijgeloof hebben wij dan bepaald te denken aan tooverij en waarzegging. Nu zijn beide wel zoo te onderscheiden, dat men bij tooverij aan het bewerken en bij waarzegging aan het weten denkt, doch gelijk bij de toelichting in het vorige hoofdstuk van Deuteronomium

18 : 9 14 — in welke plaats over het bijgeloof der Kanaanieten wordt

gehandeld — reeds bleek, loopen ze in de practijk dikwijls dooreen. Het verdient daarom de voorkeur, onder den naam van tooverij, zoowel de tooverij in enger zin, als de waarzegging te behandelen.

* * *

Nu is, en wordt ook nog menigmaal, het woord „tooverij" gebruikt tat een gansch anderen zin dan men er aan hechten mag wanneer men van de „zonde ter tooverij" Spreekt.

Wat verwondering wekt en dus niet wordt begrepen; wat men zelf nit natuurlijke oorzaken niet verklaren kan, maar toch heel natuurlijk is, zeide en zegt men vaak niet slechts: „wel tooverij te lijken," maar hield en houdt het er ook dikwijls voor.

Daarom moet men ook hier wèl onderscheiden.

Zulk een juiste onderscheiding nu doet onze Voetius, de beste onzer dude Gereformeerde zedeleeraars, aan de hand, en wij weten dan ook niet beter te doen dan haar over te nemen.

Sluiten