Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PLANETEN

51

's Heeren vóórverordineering omtrent het natuurgebeuren is niet minder vast dan dat omtrent uw voor de eeuwigheid geschapen ziel.

* *

En nu is het niet slechts voldoende, te weten, dèt er natuurwetten, dat er ordinantiën des Heeren zijn, maar ge moet, zal uw ziel daarin leven, weten, welke die zijn; de voornaamste ten minste, op ieder gebied van Gods schepping, kennen. En daarbij moet wel degelijk menschelijk onderzoek u zijn diensten bieden. Daarbij hebt ge, om het nu eens kras uit te drukken, aan uw Bijbel alleen niet genoeg. Zeker, ook voor de kennis van 's Heeren ordinantiën in de natuur spreekt de Schrift — in wat zij u leert van de „ordeningen des hemels", van schepping en wonder en voorzienigheid, van Gods souvereiniteit en almacht — de groote beginselen uit, en zonder de kennis dier beginselen zoudt gij die wetten in de natuur zelfs nimmer in wat ze waarlijk zijn, kunnen verstaan. Doch waar het nu op de bijzonderheden aankomt, op de voornaamste wetten voor ieder gebied der natuur, heeft het Gode behaagd u die niet in de Schrift te openbaren, maar ze de menschen langs den weg van waarnemen en denken te doen vinden. In de „tien geboden" hebben wij een stel van zedelijke wetten, van ordinantiën des Heeren, ten richtsnoer gesteld aan ons willen en handelen, maar zulk een stel natuurwetten biedt de Schrift ons niet.

Hiermede valt dan ook een eigenaardig licht op de wetenschap in het algemeen; op die der natuur in het bijzonder. Niet toch in wat men wel eens de beheersching der natuur, het kunnen door kennen, heeft genoemd, heeft zij alleen en uitsluitend haar doel, maar ook in het al rijker kennen van onzen God, door het al beter kennen van Zijn schepping; niet maar alleen om het menschelijk leven te verbeteren, te vergemakkelijken, te verrijken, maar ook en allereerst zelfs, om uw God te verheerlijken, moet ook deze wetenschap beoefend.

* * *

Het voornaamste van wat de sterrenkunde ons, op het stuk van 's Heeren ordinantiën, ook in die wereld van schijnbaar dwalende sterren leert, bedoelen dit en de twee vorige hoofdstukken dan ook aan te wijzen.

Na de bespreking der binnen-planeten, rest ons thans nog, van de Astten-planeten te handelen. In onderscheiding van de eerste, Mercurius en Venus, verstaan wij, gelijk vroeger reeds is gemeld, onder de laatste die planeten, welker banen buiten de aardbaan vallen.

Tot deze buiten-planeten behooren: Mars, de Planetoïden, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus.

Ook deze namen zijn weer ontleend aan de Romeinsche godenleer.

Bewegen ook deze planeten zich in min of meer elliptische banen rondom de zon, er doen zich bij haar, van onze aarde gezien, verschijnselen voor, waarin zij van die der binnen-planeten verschillen, en die wij dus, alvorens van ieder harer in het bijzonder iets mede te deelen, eerst zullen bespreken. Daarbij zal het ons tevens duidelijk worden, hoe

Sluiten