Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DIERENWERELD

137

Libanon is, tot op de hysop, die aan den wand uitwast"; in de tweede helft van dit vers lezen wij: „hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de visschen." En dat wij hierbij wel degelijk aan een bepaalde studie van planten, en ook van dieren, bij Salomo hebben te denken, en niét maar, zooals Flavius Josephus wil, alleen aan een ontleenen uit de planten- en dierenwereld, van wat de Wijze voor zijn spreuken en gelijkenissen noodig had, is toen vrij uitvoerig aangewezen.

* * *

Bovendien zou zulk een „ontleenen" zonder zekere kennis van de natuur niet recht bestaanbaar zijn. Een schrijver of dichter, die zich aan symboliek waagt, die zijn beelden grijpt uit het leven van planten en dieren, om er mee uit te beelden het leven des geestes, begaat, indien het hem aan de noodige natuurkennis ontbreekt, slag op slag, in de oogen zelfs van den meest eenvoudigen kenner, een dwaasheid.

Echte kunst heeft dit dan ook altijd verstaan, en de echte kunstenaars hebben, en dat waarlijk niet alleen in onzen tijd, dan ook altijd begrepen, dat aan het beschrijven van het natuurgebeuren ernstige studie er van moest voorafgaan. Het leven der bijen, om iets te noemen, heeft te allen tijde de aandacht der menschen, ook der kunstenaars, getrokken. Een drietal dichters, een uit de antieke wereld, een uit het begin der achttiende eeuw en een uit onzen tijd, hebben, ieder met een verschillend doel, dat wondere doen der bijen beschreven; maar zij hebben daarbij blijkbaar zorg gedragen, dat niet de eerste de beste ijmker hen, wegens gemis aan zaakkennis, op de vingers kon tikken.

En als nu de Heilige Geest, die van de Schrift „de eerste Auteur" is, juist een Salomo uitkiest, om in het doen van reeën en vogels, mieren en konijnen, sprinkhanen en spinnekoppen, uit te beelden menschelijk leven, dan verstaan wij, hoe Hij zich juist in den man, die wijs was in de dingen der natuur, een wèltoegerust instrument had gekozen.

Maar ook die uitdrukkelijke vermelding in de Schrift van Salomo's kennis omtrent planten en dieren wijst er ons op, dat de hem van zijn God geschonken wijsheid niet slechts op geestelijk, op religieus en zedelijk gebied, maar wel degelijk ook op natuurlijk gebied lag. En een kind des Heeren heeft dan ook in onzen tijd zekere kennis van die wondere wereld der dieren niet, als „wereldsch", beneden zich te achten.

't Is immers het werk van zijn God.

Wat ook de dierenwereld tot een wereld, een kosmos, een sieraad maakt, is immers de schikking, de ordinantie des Heeren.

* * *

Alvorens dan na te speuren, hoe ook in deze wereld der dieren, om met onze Belijdenis te spreken, „niets geschiedt zonder Gods ordinantie" (Ned. Geloofsbel. Art. 13), willen wij, om weer in de verbijsterende veelheid, die ook zij op den eersten blik te aanschouwen geeft, zekere eenheid te brengen,: iets mededeelen van hare indeeling.

Sluiten