Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZIEL DER DIEREN

185

terecht. Wil men nu ook de vreugdekreten, die b.v. een hond uitstoot bij het terugzien van zijn meester, taal noemen, men bedenke dan, dat men het woord taal toch in zeer overdrachtelijken zin gebruikt Eigenaardig is daarbij nog, dat de hoogere dieren, wat hun stemorganen betreft, wel degelijk in staat zouden zijn om te spreken.

Gelijk nu met de taal, zoo gaat het ook, waar men de dieren „zedelijkheid" en „religie" toeschrijft. De woorden worden dan eerst van hun gangbaren zin beroofd en vervolgens toegepast op zekere verschijnselen in de dierenwereld. Wanneer zedelijkheid niets anders is, dan dat het individu ook voor een ander iets doet, dan was zeer zeker die ooievaar, welke zich zelf op het brandende nest, om haar jongen te beschermen, aan de vlammen prijsgaf, „zedelijk". Wanneer recht niet anders is dan macht, die zich weet te handhaven, dan valt aan den hond, die tegenover zijn soortgenoot een stuk been verdedigt, geen besef van eigendomsrecht te ontzeggen.

Als de deugd niet anders is dan nuttig te zijn voor de gemeenschap waarin men leeft, dan zijn de bijen toonbeelden van deugd.

En eindelijk, wanneer het berouw niet anders is dan de onwillekeurige verbinding van vrees voor straf met een bepaalde daad, dan openbaart zich in den hond, die, na gestolen te hebben, bang voor zijn meester is, zeer zeker het berouw.

En zoo ook, indien religie niet anders is dan het gevoel der afhankelijkheid van hoogere machten, dan moet het gedrag van den hond tegenover zijn meester religieus worden genoemd.

Gods Woord leert ons echter in zedelijkheid en recht, geweten en religie — zooals wij later ook hopen aan te wijzen — nog iets anders te zien. Het is daarom, dat wij als Christenen, in spijt van al de treffende verhalen van dieren-deugd, aan de dieren beslist dit specifiek menschelijke hebben te ontzeggen.

Het dier kent en streeft naar geen ander „goed", dan wat aangenaam of nuttig voor hem is, en vliedt het voor hem onaangename of schadelijke. Wil men daarbij het dier, gelijk de middeneeuwsche denkers ter verklaring van deze verschijnselen deden, zekere kracht, een vermogen of werking toekennen, om in bijzondere gevallen en op een bepaald oogenblik te waardeeren wat aangenaam of onaangenaam, wat nuttig of schadelijk voor hem is, op zich zelf is daar niets tegen. Men kan dan, gelijk vroeger, spreken van een vis aestimativa, letterlijk een „waardeeringskracht", of zooals men thans, naar het ons voorkomt echter minder juist, zegt, een „zinnelijk oordeelsvermogen", mits men daarbij denke aan een instinctieve en niet aan een verstandelijke actie, want het dier heeft geen verstand.

♦ *

En dit nu brengt ons tot de vraag: wat is instinct?

Alle instinctieve actie dient, zooals de waarneming leert, het voortbestaan van het individu of van de soort. Het eigenaardige is daarbij de doelmatigheid van dergelijke acties.

Sluiten