Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

364

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN

Hij heeft allerlei boomen gezien: eiken, linden, beuken, populieren. Hij heeft van elk dezer boomen een „voorstelling". Ook wanneer hij de oogen dicht doet, ook 's avonds achter de gesloten luiken, in zijn huis, kan hij zich 'n eik en 'n peppel „voorstellen"; maar diezelfde jongen heeft nu ook de voorstelling van 'n boom, en deze dankt hij, althans ten deele — wij komen hier later dan ook nog op terug — aan zijn „abstraheerende verbeelding". D. w. z. zonder dat hij het zelf wist, heeft hij uit al die afzonderlijke voorstellingen van eiken, linden en beuken al het „bijkomstige", zooals b.v. vorm van blad en tak, weggelaten, afgetrokken, en zóó gemaakt de nieuwe voorstelling „boom". En evenzoó vormt hij zich uit de voorstelling van het huis zijner ouders, uit die van het huis van den burgemeester van zijn dorp, uit die van de kerk en uit die van huizen welke hij bij een bezoek aan de stad gezien hééft de voorstelling van 'n huis. Al deze zielebeelden „verbeeldt", vervormt hij, door het bijzondere, d. w. z. dat wat ze van elkander onderscheidt er uit weg te laten. Het is er dan mee als met een „schets" die men teekent, en wel met enkele trekken, zoodat al wat tusschen die omtrekken ligt, is weggelaten. Wijl nu de voorstellingen of zielebeelden der abstraheerende verbeelding zulk een „schetsachtig" karakter dragen en „schema" een ander woord voor schets is, spreekt men, in plaats van abstraheerende, ook wel van „schematische verbeelding".

In de tweede plaats noemden wij de determineer ende verbeelding „Determineeren" is letterlijk: begrenzen, bepalen, en verder kan het ook den zin hebben van bijeenvoegen, bijvoegen. Wanneer nu de verbeelding determineerend werkt, dan bewerkt zij de voorstellingen zóó dat zij de vage en zwevende weer begrenst, bepaalt, omlijnt. Dit doet zij, wanneer ge u b.v. de vage voorstelling van een vriend, dien gij in geen jaren gezien hebt, düs verbeeldt, dat het is, alsof hij opnieuw voor u staat. Maar ook is het deze determineerende verbeelding, die er ons „wat bij doet voegen", d. w. z. tusschen de reeksen van voorstellingen andere voorstellingen in schuift, zoodat er iets nieuws komt Wanneer b.v. iemand, om iets te noemen, verslag zal doen van een gebeurtenis die hij heeft bijgewoond, herinnert hij zich reeksen van voorstellingen Laat het b.v. zijn: het verslag van een vechtpartij. In zijn bewustzijn staat nu, hoe twee menschen elkaar boos aankeken; de een den ander een slag gaf; dat die ander toen met een mes stak; dat er bloed

stroomde Nu is tusschen de voorstelling van den slag en die van

het steken met het mes een leemte, en wanneer de ooggetuige dan ter goeder trouw „erbij maakt", dat na den slag de ander „een mes uit zijn zak haalde", is het zijn „determineerende verbeelding", die deze leemte aanvult. Zoo ook, wanneer wij een verdicht verhaal lezen, vullen wij de omtrekken, die de dichter leeg heeft gelaten, met onze eigen ervaringen in, en lezen dan onze eigen lotgevallen en gewaarwordingen m die van den held.

Sluiten