Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEVOEL EN GEMOEDSBEWEGINGEN

395

Er is hier een doordringen, een doorzinken van het hoofd naar het hart, en op wat düs doorzinkt, geeft het hart zijn weerklank, en die weerklank stijgt dan als „gevoel" weer op uit het hart naar het hoofd.

Het gewone en niet onjuiste beeld, waarmee dit gewoonlijk verduidelijkt wordt, is dat van een snaren-instrument met zijn resonans- of klank-bodem. Wanneer uw vingers de toetsen en daardoor de snaren van een muziekinstrument doen trillen, doet de klankbodem die trillingen als klanken terugklinken.

Zoo ook klinken zenuwtrillingen in de hersenen, na door de ziel in gewaarwordingen te zijn omgezet, uit het hart in ons bewustzijn terug als gevoel.

Het gevoel zelf behoort dus, al heeft het zijn grond in het hart, wel degelijk tot het bewustzijn.

Wanneer een moeder haar kind in gevaar ziet, dan maakt de innerlijke toestand van haar ziel, die zich aan dat zien paart, zich voor haar kenbaar in een gevoel van droefheid, van vrees, van angst.

En schreven wij zooeven, dat het gevoel met het streven innig samenhangt, hetzelfde voorbeeld zal ons dit verduidelijken, indien wij bedenken, dat het onlustgevoel der moeder haar doet streven naar de redding van haar kind.

Ons zieleleven is door God zoo rijk georganiseerd; met name in het hart speelt zich af dat rijke leven van wisselende zieletoestanden, met oneindige verscheidenheid en fijnheid van schakeering. In het „gevoel" wordt ons daarvan slechts een klein deel bewust, maar in ons eigen „hart" speelt zich veel meer af dan waarvan wij weet hebben. Ook in dezen zin reeds geldt vafi het hart: Wie zal het kennen 1

Veel inniger is de ziel dan ook verbonden met het hart dan met het hoofd. Het hart voelt, het hoofd denkt.

En wanneer ge b.v. een smart voelt, is uw kennen immers veel dieper, veel inniger, dan wanneer ge over 'n smart denkt.

Vandaar ook is zoo teekenend en merkwaardig dat woord uit Spr. 14 : 10: „Het hart kent zijne eigene bittere droefheid." Letterlijk vertaald toch staat er: „Een hart kent de bitterheid of de droefheid zijner ziel."

Het gevoel, al is het ook geen afzonderlijk vermogen, maar op het innigst samenhangend met ons gewaarworden en ons streven, is dan ook van zeer groote beteekenis voor ons zieleleven.

Juist omdat onze ziel niet maar alleen denken is, en haar diepste wezen evenmin willen is, doch haar volle wezen zich uit in wat men noemt: hoofd, hart en hand, is haar leven zoo rijk. En met name het, met het hart verbonden, leven met zijn wisselingen van lust en onlust, geeft aan heel het zieleleven zijn tinten en kleuren, zijn schaduw en licht; schenkt het, wat men, met een uitdrukking, aan de schilderkunst ontleend, noemt, zijn „diepsels en hoogsels".

Zeker moet het hoofd heerschen over het hart en besturen de hand, zal het leven in harmonie wezen; doch men vergete niet, dat het leven

Sluiten