Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

ZONDAG XXDC. HOOFDSTUK I.

de Christus in de gemeente als geheel wordt ingepredikt, bij het uitdeelen van het heilig Avondmaal de geheele Christus persoonlijk aan A of B wordt aangeboden en door A en B, zoo ze gelooven, wordt aangenomen en ontvangen. Juist echter door deze vooropstelling van het Woord en deze gelijkstelling van het Sacrament met het Woord, is het noch aan Luther noch aan de Luthersche kerk ooit gelukt, te zeggen wat het Sacrament nu deed, hetgeen ook niet gedaan werd door de prediking van het Woord. Het eigenaardig karakter van het Sacrament in de Luthersche kerk is dientengevolge nooit tot zijn recht gekomen.

Nu weten intusschen dé meeste Lutheranen van dit alles niets af, en voor hen blijft, in zooverre ze geloovige Lutheranen zijn, alleen de belijdenis vaststaan, dat wie met geloof brood en wijn ontvangt, in, met en onder brood en wijn, het wezenlijke lichaam des Heeren ontvangt. Omdat Christus gezegd heeft: „Dit is mijn lichaam" houden ze ook staande, dat er, hoe en op wat wijs dan ook, geloofd en beleden moet, dat het brood van het Avondmaal het Lichaam des Heeren wel waarlijk is. En vraagt men nu hoe de Lutheranen dit pogen waar te maken, dan hangt deze Avondmaalsleer bij hen geheel saam met hun leer van de Hemelvaart des Heeren. Volgens Gereformeerde belijdenis is Christus God en mensch zóó, dat de Goddelijke natuur alle Goddelijke, maar ook de menschelijke natuur alle menschelijke eigenschappen bezit en behoudt. Als Jezus ten hemel vaart in ons menschelijk lichaam, blijkt dus ook dit lichaam des Heeren aan een plaats in den hemel gebonden, en kan, evenals tijdens zijn omwandeling op aarde, slechts op ééne plaats tegelijk zijn. Is hij dus lichamelijk in den hemel, zoo kan Hij niet tegelijk op aarde aan duizend plaatsen zijn. Wel met zijn „genade, majesteit en geest", maar niet met zijn vleesch en bloed. Zoo echter leeren de Lutherschen niet. Zij zeggen dat de beide naturen in Christus niet elk haar eigenschappen behielden, maar hare eigenschappen over en weer aan elkander mededeelden, zoodat met name in den staat der verheerlijking de Goddelijke eigenschappen Zich ook aan de menschelijke ziel en het menschelijk lichaam van den Christus zouden hebben meegedeeld. Gelijk nu de Goddelijke natuur overal tegenwoordig is, zoo zeggen ze, moet ook aan het lichaam des Heeren overaltegenwoordigheid toegekend worden; en aldus geschiedt het, dat deze lichamelijke overaltegenwoordigheid van den Christus (Ubiquéïtas) bij het heilig Avondmaal ook in het brood en in den wijn is. Hij is dus niet enkel in het brood en in den wijn, maar ook daarbuiten. Dus niet zooals Rome leert, gaat brood en wijn in het lichaam en het bloed des Heeren over, maar tegelijk met het brood en den wijn is in, onder en bij dat brood en dien wijn, ook de Christus.

Sluiten