Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXIX. HOOFDSTUK V.

155

zeer bepaaldelijk, als een stoffelijke inwerking, die rechtstreeks het stoffelijke in ons lichaam aangreep en aldus onze levenskracht verhoogde. Een voorstelling, waarvoor men zich dan liefst beriep op 1 Cor. XI : 30, waar Paulus zegt, dat er tengevolge van het misbruik, dat in de kerk van Corinthe op zoo stuitende wijze van het heilig Avondmaal gemaakt werd, in die kerk, o, zoovelen waren, die onder zwakheid of krankheid leden, of ook reeds ontsliepen. Hij zegt toch: „Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken en velen slapen".

Nu geven we voetstoots toe, dat deze woorden van Paulus metterdaad van lichamelijke krankheid en van een sterven naar het lichaam moeten verstaan worden. De apostel leert kennelijk, dat Gods toorn ter oorzake van een stuitende ontheiliging van zijn Sacrament over de kerk van Corinthe was gekomen, en dat deze toorn Gods openbaar wierd in de vele krankheden, die uitbraken, en die, op in het oog loopende wijze, door doodelijken afloop gevolgd waren. Men mag deze woorden dan ook niet verzwakken, door ze te verstaan van geestelijke zwakheid of geestelijken doodsslaap. Daartoe toch ontbreekt elke aanwijzing, en het verband sluit zulk een uitlegging af. Immers de apostel spreekt van een oordeel Gods dat over de gemeente gekomen was tengevolge van de ontheiliging van het Sacrament; eene ontheiliging die zoover was gegaan, dat men zich aan den Avondmaalsdisch dronken had gedronken. Dit nu kon natuurlijk alleen geschieden door dezulken, die reeds, eer ze zich hieraan vergrepen geestelijk zwak en zeer krank waren, en in zeer erge mate geestelijk sliepen. Het zou toch geen zin hebben gehad om te zeggen: „Er zijn er onder u, die zich op zoo roekelooze Wijze aan het Avondmaal vergrepen; daardoor hebben deze mannen of vrouwen zich een oordeel gegeten en gedronken; en dit oordeel bestaat hierin, dat ze eerst na deze heiligschennis geestelijk zwak en krank geworden zijn". Want ook al geeft men toe, dat zulk een heiligschendende daad uiteraard door nóg diepere inzinking van het geloof moest gevolgd worden, zoo was deze verachtering van geloof bij reeds zoo ver uitgegleden personen toch nooit zóó in het oog loopend, dat Paulus hierop, als op een blijkbaar oordeel van Gods toorn wijzen kon. Deze geestelijke uitlegging is dan thans ook vrij algemeen door de kundiger uitleggers opgegeven, en men is teruggekeerd tot de uitlegging, die ook Calvijn en onze Staten-overzetting gaf, dat deze krankheid en deze doodsslaap in eigenlijken, lichamelijken zin te verstaan zijn.

Er was ontheiliging van Gods verbond. Dit verwekte Gods toorn schrikkelijk over de gemeente. En deze openbaring van Gods toorn bestond in het uitbreken van bange ziekten, die vaak doodelijk afliepen.

Sluiten