Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXfl. HOOFDSTUK III.

191

ten volle inleven in wat ze doen. Dat is natuurlijk niet zoo. Ook bij hen bederft het werktuigelijke alle aanbidding en drijft de groote menigte op stroom mee, zonder te weten wat ze doen. Dit echter beslist de zaak niet, want dit zelfde verschijnsel doet zich ook in de Protestantsche gezinnen en in de Protestantsche kerken voor. Vraag u maar eens af hoe dikwijls de oogen in het gebed gesloten en de handen gevouwen worden, zonder dat er van eenige zielsverheffing of eenig wezenlijk gebed sprake is. Nu is zeer zeker dit werktuigelijk en onnadenkend en ongevoelig verkeeren onder het heilige een groote zonde, maar het is geen bijzondere heidensche zonde. Ook hier toch geldt het woord van Paulus tot de Joden: „Gij die anderen oordeelt, doet dezelfde zonde".

Om de vraag te beantwoorden, of de heidenen in hun afgoderij opzettelijk bedrog plegen, dan wel, als slachtoffers van zelfmisleiding, wanen goed te doen, moet deze zonde van het machinale en ondoordachte hier dus buiten rekening blijven, en moet alleen op hun daad als daad gezien voorzoover ze feitelijk in die daad een acte van hun persoon leggen. En neemt men nu zoo de heidensche afgoderij, dan is er geen quaestie van, of ook de heidenen meenen werkelijk, dat ze door de hulde en aanbidding, die ze aan hun afgoden bewijzen, eere bieden aan die oneindige Macht, die hemel en aarde regeert. Calvijn en alle goede Calvinisten hebben, op het voetspoor der Heilige Schrift, dan ook steeds erkend, dat ook in deze heidenen nog een overblijfsel van natuurlijke Godskennis is; een Godskennisse die het spoor bijster was geraakt; en die zich nu uitte in de zondige aanbidding van het schepsel. Ten bewijze waarvan dan gewezen werd, op de groote offers, die zij zich voor hun afgoden getroostten, op de kwellingen en zelfkastijdingen die ze op zich namen; en niet minder op het hartstochtelijk fanatisme, dat uitbrak, zoodra men hun afgoden dorst aan te randen. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat wie zulke dingen doen, meenen wat ze zeggen, en dus metterdaad in het geloof verkeeren, dat de oneindige Macht die hemel en aarde regeert, op een voor hen onverklaarbare wijze zich hecht aan of woont in dat afgodsbeeld, dat ze voor zich zien. Want wel weten ze, dat dit afgodsbeeld door een smid of timmerman of beeldhouwer gemaakt is, maar ze meenen ook, dat de Eeuwige Macht zich op een wonderbare wijze met dit beeld of dezen fetisch vereenigd heeft.

Vooral de latere studiën der godsdienstwetenschap, hebben ten deze een billijker oordeel leeren vellen, en een meer menschelijk oordeel ook over de heidenen mogelijk gemaakt; zoo zelfs, dat thans door niemand meer wordt staande gehouden, dat de heidensche afgoderijen steunen zouden op opzettelijk bedrog, of moedwillige schepselvergoding. Bijna

Sluiten