Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

330

ZONDAG XXXI. HOOFDSTUK XII.

De ambtelijke vermaning is van tweeërlei aard, al naar gelang ze van de enkele ambtsdragers tot ons komt, of wel dat ze uitgaat van geheel den kerkeraad. In het eerste geval draagt ze het herderlijk karakter en strekt ze alleen, om de leden der kerk tot wie ze uitgaat, af te houden van ongeregelden gang of op te wekken tot heiligen ijver. Doch anders wordt dit, als de kerkeraad, als representeerende de geheele gemeente, in de zaak betrokken wordt, hetzij om de hooggaande ergernis die gegeven werd, hetzij omdat de val in zonde gepaard gaat met hardnekkige onboetvaardigheid. Dan toch ontstaat er een diepe geestelijke strijd, tusschen de kerk als geheel genomen, en dezen gevallen mensch. Ook op hem, als lid der gemeente, rust de verplichting, om de gemeente te helpen stichten en opbouwen, en zie, hij maakt ze te schande bij de buitenwereld en verstoort haar innerlijken vrede; ook geeft hij in haar midden een licht aanstekelijk voorbeeld; en maakt dat de vromen zuchten, terwijl de ongebonden geesten uit zijn boosheid kracht putten om in meerder roekeloosheid voort te varen. En ook, met de gemeente heeft hij te belijden, dat God den nederige genade geeft en dat er zonder boetvaardigheid geen zalige vergiffenis is te smaken, en zie, hij verstout zich; hij keert Gode den nek toe en niet het aangezicht en zoekt heil in leugenachtig ontkennen, in zelfrechtvaardiging en vergoelijking van zijn kwaad.

Hier mag dus niet langer gedraald. Hier moet gehandeld. Het gaat niet aan, zulk een zich nog langer te laten beroepen op de heiligheid van zijn verborgen leven. Zijn zonde en afval is openbaar.

Dienvolgens rust dan tweeërlei plicht op de kerk: 1°. om door openlijke uitspraak het zedelijk rechtsbesef in de gemeente te herstellen, en het voor een iegelijk te doen uitkomen, dat de kerk als kerk aan deze zijne zonde en hardnekkigheid geen gemeenschap heeft, maar ze verfoeit, veroordeelt en afkeurt. En 2°. om over te gaan tot buitengewone middelen, ten einde zoodanig een te stuiten op den verkeerden weg, en mocht het zijn, met Gods hulpe terug te leiden naar veiliger wegen.

Daartoe nu is eisch, dat de zaak, die ergernis gaf, eerst grondig onderzocht worde, opdat niemand in de gemeente onverdiend bezwaard worde. Op losse geruchten mag men nooit afgaan; en zelfs kan het de roeping van den kerkeraad zijn, een broeder of zuster tegen boos en loos, maar leugenachtig gerucht in bescherming te nemen. Ontwaart men nu bij hem of haar dien het geldt, terstond volledige en volmondige bekentenis, dan vervalt natuurlijk de aanleiding tot verder onderzoek; en is het oogenblik gekomen, om te beproeven hoever men met ernstig en dringend, maar nu officieel, namens heel de kerk uitgesproken vermaan op den schuldige vorderen kan. Dit vermaan moet niet uit de hoogte toegediend,

Sluiten