Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

390

ZONDAG XXXII. HOOFDSTUK IX.

hun besluit uit de goede werken volstrekt niet zoo van zessen klaar zijn, als het bij oppervlakkige redeneering wel lijkt. En hierin, en hierin uitsluitend, ligt dan ook de oorzaak, waarom vele vromen onder ons nog zoo weinig aan de geloofsverzekering, die uit de goede werken komt, hechten. Ze ontkennen namelijk de vrucht van de goede werken niet; maar ze aarzelen gedurig om te erkennen, dat ze een goed werk gewrocht hebben, en verkeeren veel meer nog in het gevoel, dat ze al wat God hun schonk met hun zonde hebben besmet.

Een eenigszins samenhangend oordeel, is daarom dan eerst te gewinnen, zoo men vaststelt, dat de geloofszekerheid niet bij het geloof als een uitwendig iets bij komt, maar tot de natuur zelf van het echte geloof behoort en alzoo bij het uitkomen van dat geloof vanzelf de ziel overweldigt. Het geloof is niet een apart iets, dat buiten ons bewustzijn omgaat, maar een werking Gods in ons, die beide ons bewustzijn en onzen wi/ zoo omzet, dat we anders gaan denken en anders gaan doen. Twee elementen zitten hier dus in. De goede werken zijn de vrucht van den omgezetten en overgebogen wil, en de goede belijdenis is de vrucht van het omgezet en verhelderd bewustzijn. De rijkste en volste geloofsverzekerdheid zal hij dus bezitten, die beide deze vruchten draagt. D. w. z. die én klaarblijkelijk in zijn besef en in zijn bewustzijn vernieuwd is, én tegelijk de duidelijke sporen merkt van een omgezetten en overgebogen wil. En omgekeerd blijft de geloofsverzekerdheid altoos gebrekkig en onvast, zoolang een van deze beide ontbreekt. Wie wel het nieuwe levensbesef in zijn bewustzijn omdraagt, maar nog geen vruchten van den vernieuwden wil ziet, blijft twijfelen; en ook wie wel vruchten van een vernieuwden wil ontdekt, maar in zijn bewustzijn en levensbesef nog niet krachtig genoeg verandering onderging, wordt voortdurend in zijn geloofszekerheid geslingerd. En verzekerd van uw geloof, op heldere, vaste, jubelende wijze, zijt ge dan eerst, zoo die beide, én het nieuwe levensbesef, én de nieuwe wilsvrucht, op elkaar passen en elkaar aanvullen.

Zoolang daarentegen dit schoone resultaat nog niet verkregen is, en óf nog beide deze kenteekenen van het nieuwe leven ontbreken, óf wel beide gebrekkig zijn, óf ook deze beide niet op elkander passen, kan men daarom wel nooit zeggen: Dus heb ik het echte geloof niet; maar dan derft men toch nog dat rijke genot van Gods ingeleide kinderen, die zeggen kunnen: „Wij weten dat wij uit den dood overgezet zijn in het leven". Het kan daarom wel zoo zijn, maar gij weet het nog niet. Althans nog niet met vaste, volkomene zekerheid. En toch in zoo heilige, ernstige zaak, moet die zekerheid natuurlijk volkomen zijn. Uw onzekerheid mag niet weggeredeneerd op valsche gronden. Duizendmaal beter een onrust

Sluiten