Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXIII. HOOFDSTUK VIII.

445

it nu is overspanning. Dat kan en mag zoo niet blijven. En allengs indert het dan ook. Maar nu ziet men bij de eene moeder, dat die trtstochtelijke verkleefdheid allengs overgaat in gematigder en toch dieper :fde, terwijl ze bij een andere moeder plaats maakt voor eene onverhilligheid die u soms ergert. Dat laatste nu is zondig; het eerste niet. ri zoo nu ook is het bij het kind van God niet slechts natuurlijk, maar Us goed, dat de liefde voor het Eeuwige Wezen allengs een kalmer, in heiliger, en daardoor dieper karakter aanneemt, zoodat het harfschtelijke er uit weggaat; maar wat niet mag, en een uitvallen en een srlaten van de eerste liefde zou zijn, is, zoo iemand na eerst van liefde >ór zijn God in sterke spanning en overdrijving verteerd te zijn, nu nsloeg in koude onverschilligheid en voor zijn Vader die in de hemelen niets meer voelde kloppen of trillen in zijn hart. Zoodra dit u overMnt, is er grootelijks zonde, en het is in deze zonde, dat we niet mogen üjven liggen, maar dat we door God en zijn Woord worden opgeroepen, n terug te keeren tot onze eerste liefde, te zien waarvan we uitgevallen jn, en de eerste werken te doen. Soms komt zulk een tweede bekeering jor onder den naam van Verbondsvernieuwing, omdat feitelijk toch elke ekeering een treden in het verbond met den Drieëenigen God is; elk invallen aan onze bekeering een verbreken van dit verbond was; en in aoverre elke vernieuwing van onze eerste bekeering een vernieuwing van et verbond met onzen God mag heeten. Hiertoe nu hebben Gods kineren elkander ernstig en gedurig op te wekken, en gelukkig mag het ezin heeten, waarin veel kinderen Gods samenleven, die na een tijdlang i zijn afgeweken en verflauwd, zich weer door den Geest des Heeren oelen aangegrepen, om weer saam door verbondsvernieuwing terug te eeren tot den Heere hun God.

Onderscheiden hiervan is, wat niet zoozeer vernieuwing van bekeering ls wel een tweede bekeering is. Niet natuurlijk, alsof men zich ten tweeden ïale bekeeren kon, in den zin, waarin men zich de eerste maal tot zijn iod bekeerde. Dit toch is, gelijk we zagen, volstrekt ondenkbaar. Maar rat wel voorkomt is, dat een tweede bekeering aanvullend en voltooiend p de eerste principieele bekeering volgt. Dit is met name het geval bij ulke personen, die vóór ze tot hun eerste bekeering kwamen, verslaafd /aren aan een sterk uitgebarsten zonde; en voor wie daardoor de eerste lekeering al te zeer het bepaalde karakter aannam van met die ééne betaalde zonde te breken. Men heeft dit gezien met personen, die zich aan onde van dronkenschap, aan zonde van wellust, aan zonde van wraakucht, van schandelijke leugen en zooveel meer hadden overgegeven,

Sluiten