Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXIV&. HOOFDSTUK VI.

543

dei ij k karakter; want wel wordt het door menschenhand m den schoot geworpen, maar het beleid daarvan is bij den Heere.

Juist echter dit goddelijk karakter van het lot maakt, dat het niet met zondige aandrift mag misbruikt. Waar eigen nadenken en overleg tot beslissing moet brengen, is het ons niet geoorloofd, om uit geestelijke hoogheid tot het lot de toevlucht te nemen. Men mag niet als de schepelingen van Jona het lot werpen, om schuld te ontdekken; want wel had dit bij Achan ook plaats, maar toen op uitdrukkelijken last van Godswege. Men mag ook niet het lot aanwenden, om zijn weg in een onzekere toekomst te vinden, gelijk predikanten dit wel deden bij beroepingen. Dit alles is door onze vaderen steeds afgekeurd, hoe heilig mystiek het zich ook voordeed. Daarentegen is het gebruik van het lot steeds goedgekeurd bij het maken van verdeelingen, bij het kiezen tusschen personen, zoo de stemmen staakten, en bij de keuze die de overheid voor allerlei diensten onder haar onderdanen had te doen. Slechts drongen de onzen er dan steeds op aan, dat men hierbij, evenals de apostelen dit deden, den Naam des Heeren zou aanroepen, opdat duidelijk bleek en voor aller bewustheid vaststond, dat men niet van de Fortuin of het Avontuur, maar wel terdege van God den Heere, door middel van het lot, de beslissing inriep.

Het lot is dus geen uitvinding van Satan; op zichzelf is het lot een ons van God gegeven middel om tot beslissing te komen; maar juist daarom ook gebonden aan deze vaste stelregels: 1°. dat het alleen mag aangewend om een beslissing van Godswege in te roepen; 2°. om zulk een beslissing des Heeren in te roepen alleen bij die zaken, waarvoor ons geen andere weg ter beslissing openstaat, en 3°. om zulk een gebruik van het lot steeds een sober en godvruchtig karakter te laten dragen. Elk ander gebruik van het lot is het misbruik van een gave Gods tegen het doel waarmee Hij het ons gaf, en alzoo verzet tegen zijn goddelijke ordinantiën.

Vergelijkt men hiermee nu het gebruik dat van het lot in het kaartspel, dobbelspel, bakspel enz. gemaakt wordt, dan springt het aanstonds in het oog, dat er van zulk een godvruchtig gebruik van het lot in al deze spelen geen oogenblik sprake is. Vooreerst men zoekt door al zulk spel geen oogenblik een goddelijke beslissing. Men wendt ten tweede het lot aan, waar geen de minste noodzaak bestaat om een beslissing uit te lokken, want men speelt. En ten derde, van een godvruchtige aanwending van het lot is in al zulke spelen vlak het tegendeel te ontwaren. Het gaat alles buiten God om, of tegen Hem in, en vloekt alzoo tegen den apostolischen regel: „Hetzij gij eet of drinkt of iets anders doet, doet het al ter eere Gods".

Sluiten