Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXVII. HOOFDSTUK I.

615

1 Sam. XX : 3; 1 Kon. II : 23; 2 Kon. II : 2), zou op zichzelf nog geen bewijs zijn; al moest toch ondersteld, dat zulk een zware zonde, als dit, naar de stelling der Mennonieten en Darbisten, zou geweest zijn, toch nu of dan berispt en afgekeurd zou zijn. Maar heel iets anders wordt het, als de wet die van Godswege aan Israël is gegeven, den Eed gebiedt, gelast en voorschrijft, gelijk dit in Deut. VI : 13 geschiedt: „Gij zult bij zijnen Naam zweren"; in Deut. X : 20: „Gij zult bij zijnen Naam zweren"; in Exod. XXII : 11: „Zoo zal des Heeren eed tusschen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan zijns naasten have geslagen heeft"; denk ook aan den zuiveringseed der verdachte vrouw.

Hier nu is geen uitweg. Want al spreekt het vanzelf, dat de gevallen waarin, en de wijze waarop, de Eed moest gezworen worden, met Israëls bedeeling saamhingen, toch mag in geen geval toegegeven, dat God zelf den Eed als zoodanig zou geboden hebben, zoo elk eedzweren op zichzelf als zondig ware te beschouwen. En blijkt nu alzoo, dat God zelf den Eed zwoer; dat God den Eed gebood; dat Christus den Eed gezworen heeft; dat de Eed gebruikt is door de apostelen; en dat noch in het Oude noch in het Nieuwe Testament ooit op eenigerlei wijze afkeurend gesproken wordt over het feit dat de Godsmannen hun verklaringen met eede bezworen hebben; — dan is het de Schrift weerstaan, en het gezag des Heeren weerspreken, indien ge de stelling opzet, dat elke eedzwering als zoodanig voor God zonde zou zijn.

De regel is en blijft daarom: Nooit zweren om uzelfs wille, maar alleen zweren om Gods wil en uit liefde voor den naaste; en met dezen regel, die uit Gods Woord ontleend is, gaat ge in elk voorkomend geval veilig. Iets wat intusschen niet wegneemt, dat de Eed altoos het karakter blijft dragen van een medicijn om der zonde wille; zoodat het in het paradijs ondenkbaar was, en eens ondenkbaar wordt in het Rijk der heerlijkheid. En dit nu moet er de kerken toe leiden, om ook op eigen kerkelijk terrein, geen exceptioneelen eed, ook niet tegen Simmonie, in te voeren. In de kerken moet elk ja ja, elk neen neen zijn, wijl op het heilig erf der kerk altoos in de tegenwoordigheid des Heeren gesproken wordt, en alzoo elke verzekering met een eed gelijk staat. Als bij den Doop het ja wordt uitgesproken, heeft dit ten volle dezelfde kracht, die een eed voor den rechter heeft, en het is een misbruik, hetwelk nooit had moeten insluipen, dat men eenvoudig het hoofd buigt zonder ja te zeggen. In dat uitgesproken ja toch ligt al de kracht.

Sluiten